Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 183 --
zijne weetgierigheid, die, toen hij zijn vijfde jaar was in-
gegaan, krachtig ontwaakte. Wie laat al die mooije bloe-
men groeijen? God! Wie laat de lekkere vruchten rijp
worden ? God! Wie laat de prachtige zon schijnen? God! Op
zekeren avond, terwijl het uitspansel van starren flonkerde,
bragt WILLEM ons jongsken op de hoogte bij ons huis. Wie
heeft de magt om al die heldere lichten hoog in de lucht
te doen branden ? God alleen!. . . .
Zoo dikwijls in stilte voor mijn kind gebeden hebbende,
verlangde ik naar het oogenblik, dat ik met mijn kind
zou kunnen bidden. Toen 't, naar ik dacht, daartoe
rijp was, heb ik niet mijne gewone gebeden met albert
gebeden, maar zeer korte gebedjes, die ik, zooveel ik
kon, naar zijne vatbaarheid inrigtte. Zooveel mogelijk
heb ik altijd gezorgd, zijne aandacht nooit te veel op-
eens te vergen, uit vrees, dat het bidden hem eene ver-
drietige taak of een bloot naspreken van klanken mogt
worden. Vooral vermijd ik een lang gebed vóór het elen.
Als mijne kinderen de rookende geregten op tafel zien, zijn
zij niet in staat aan iets anders te denken. Onlangs had
ik, in plaats van hem voor te bidden, gezegd: "Albert!
"vraag nu maar zelf aan den goeden God, wal ge van
"Hem verlangt; maar bedenk, mijn kind! tegen wien ge |
"spreekt, terwijl ge bidt." Hoe verrast v\as ik, toen hij ï]
zijn gebedje eindigde, met te zeggen: "oGod! wees ook
"goed voor mijn' vader en moeder, die zoo goed voor mij
"zijn!" Dat ik hem die woorden niet had ingestoken,
dat zij uit zijn eigen hartje waren voortgekomen, wekte
in mij een gevoel, zoo als ik nog nooit had ondervonden.
Soms vertel ik hem het een of ander verhaal uil het Oude
Testament, waarvoor ik iets kies, dal mij voor zijne kin-
derlijke bevatting geschikt schijnt. Dikwijls — en dil doe
ik liefst — heb ik met hem gesproken over den Zalig-
maker, hoe christus, de Zoon van God, op aarde is ge-
komen om de menschen le leeren, om hen beter en ge-
lukkig te maken. Daarbij vergeet ik dan niet te vertellen,
dat de Zaligmaker de kinderen liefhad, ze op zijne knien
nam eu zegende.
Dat ik mijn kind lot dusver liever over Gods Vaderlijke