Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 182 --
weet het — draagt in den dagehjkschen omgang de vroom-
heid niet op de hppen, maar toch woont echt godsdien-
stig gevoel in zijn binnenste. Hij is een doodvijand van
uiterlijk vertoon; maar zijne vrouw en kinderen weten,
dat, als hij hidt, zich een stille, diepe eerhied over zijn
gelaat verspreidt en uit zijne geheele houding spreekt. Ik
geloof stellig, dat het op albert al zeer vroeg indruk ge-
maakt heeft zijn' vader te zien bidden ('), en dat hij in
zijn tweede jaar al vermoedde, dat bidden iets plegtigs,
iets verhevens is; ofschoon hij natuurlijk toen nog niet
begreep, wat een mensch eigenlijk doet, wanneer hij bidt.
Zou 't niet mogelijk zijn, dat hij, ons ziende bidden, al
eenigzins, zonder te weten hoe en waarom, in onze eer-
biedige stemming deelde ? Zeker is het, dat hij, vóór het
eind van het derde jaar, denkelijk uit zucht, om alles na
te doen, als wij bezig waren met ons gebed, zijne handjes
vouwde even als wij. Ik liet hem begaan en zag het
gaarne, maar zei nog niets. Toen hij vier jaar oud was
en allerlei vragen begon te doen, vroeg hij mij eens on-
verwacht: "Moeder! wat is toch bidden ?" Voor mijn ant-
woord kwam mij uitstekend te pas, dat mijn kind zoo veel
van zijn' vader hield, en al besefte, dat deze hem veel
goed deed. Van de liefde, die hij voor zijn' aardsehen
vader gevoelde, heb ik mij bediend om hem een eerst
denkbeeld te geven van een' Hemelsehen Vader. "Kindlief!"
zei ik, "alle menschen zonder uitzondering hebben één' Vader,
"dien zij niet met oogen zien kunnen, maar die hun alles
"geeft. Uie Kader van alle menschen heet: God! Als wij
"dien Vader iets verzoeken of Hem bedanken, dan bidden
"wij." Albert greep gretig het denkbeeld aan, dat alle
menschen te zamen één' goeden Vader hebben. Dat hij
dien Vader niet zien kon, was hem geen bezwaar : moe-
der zei het, en wat moeder zegt, is zoo. Toen ik eens
den naam des Algoeden voor hem had uitgesproken, nam
ik iedere gelegenheid te baat om hem Gods goedheid en
grootheid te doen opmerken, daarbij partij trekkende van
(') Klaba zwijgt hier over zich zelve. De Schrijver gelooft, dat hare
opregle godsvrucht wel den diepsten indruk gemaakt heeft.