Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 181 --
Ik zou dus misschien kunnen volstaan met te schrijven:
"Doe gij ook maar gerust wat uw godsdienstig hart en
"uw moederlijk gevoel u ingeven, en gij zult het doel
"even gelukkig bereiken als ik." Maar ik voorzie, dat
gij met zulk een antwoord niet tevreden zoudt wezen,
en daarom wil ik mijn best doen, mij geregeld te binnen
le brengen, welken weg ik ten dezen gevolgd heb.
Gij hebt mijn ouders gekend, lieve marie! en weet, dat
zij in eenvoud des harten opregt godsdienstig waren. Hunne
stille vroomheid was mij tot voorbeeld, toen ik nog klein
was. Daar ons gezin met vele tegenspoeden te worstelen
liad, ondervond ik, als aankomend meisje, hoe veel troost
en kracht de godsdienst ons schenkt in lijden. Sedert
mijn huwelijk, en vooral sedert ik moeder ben, werd het
geloof aan een' goedertieren' God en aan een leven na dit
leven mij nog dierbaarder dan te voren. Ik zou geen
oogenblik rust hebben, zoo ik niet overtuigd ware, dat
de Voorzienigheid te allen tijde over mijn' man en kinde-
ren waakt en voor hun welzijn zorgt. Dat geloof is voor
mijn hart meer en meer behoefte geworden: ik beschouw
het als mijn' grootsten schat, 't Is dus niet meer dan na-
tuurlijk, dat ik mijn best deed, om het aan mijne kinde-
ren meê te deelen; ik zou niet anders kunnen doen; mij
dunkt, ik zou geen moeder wezen, zoo ik dat verzuimde.
Ik had weieens gehooi-d, dat men de kinderen niet
te vroegtijdig over God en godsdienst spreken moet, om-
dat zij in hunne eerste jaren nog niet genoeg ontwikkeld
zijn, om zich een waardig denkbeeld van het Opper-
wezen te vormen. Ik heb mij evenwel aan dat zeggen
niet gestoord; ik dacht bij mij zelve: "Wij volwassenen
"zijn immers ook nog niet in staat (iods grootheid en
"volkomenheden, zoo als ze zijn, te bevatten; hoe lang
"zou ik dan wel moeten wachten? Ik wil wachten totdat
"ik in de vragen van het kind zelf eenige aanleiding
"vind om hem op God te wijzen; langer wacht ik zeker
"niet," en. .. zoo deed ik.
Albert, onze eersteling, was altijd onder ons oog; hij
was er dus ook altijd bij, als zijn vader en ik, vóór en
na het eten, te zamen ons gebed deden. Mijn man, gij
-