Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 167 --
moeder, die niet geheel en al door bezigheden overkropt
is, de verpligting berust, om A.e aanvankelijke verstands-
ontwikkeling van hare kinderen te leiden en te bevorde-
ren ; 't is toch iets anders eigenlijk onderwijs te geven,
zoo als op de leerscholen gebeurt, of wel het opzigt te
houden over en behulpzaam te zijn tot de voorspoedige
ontwikkeling van de verstandelijke vermogens. Dit laatste
beschouwde klaka als een voornaam deel van de moe-
derpligten; zij wilde zoo gaarne in den hoogen, ruimen
zin des woords moeder zijn; daarom zorgde zij niet enkel
voor den ligchamelijken wasdom van hare kleinen, maar
trachtte bovenal in hunne harten het zaad der deugd te
strooijen, en deed tevens haar best, aan de ontluikende
geestvermogens te hulp te komen, en zoo doende hare
kinderen tot het schoolonderwijs voor te bereiden. Dik-
wijls en gaarne bezocht zij met hare kleinen de Bewaar-
school, voornamelijk met het doel om op te merken en
te leeren, hoe men daar op 't verstand en hart van de
jonge kinderen werkte-, maar zij wilde niet aan de Be-
waarschool afstaan, wat zij meende zelve voor haar
kroost te kunnen en — in hare omstandigheden — ook
te moeten doen.
Valkenhüize plagt te zeggen: "Er is maar ée'n weg,
"langs welken 't verstand van het kind tot ontwikke-
"ling komt, en die weg gaat door de zintuigen. Door
"te zien, door te hooren, door dingen te betasten, te
"proeven, te ruiken, krijgt de ziel voorstellingen en be-
"wustheid. Zoo men aan een kind de gelegenheid ont-
"hield om zijne zintuigen te gebruiken, zouden de ver-
"standelijke vermogens blijven sluimeren. Er moet dus,
"zal de geest zich kunnen ontwikkelen, ruime gelegen-
"heid gegeven worden, om zinnelijke indrukken op te
"doen; maar het jonge kind moet niet enkel zien en
"hooren, het moet met juistheid zien en hooren; bet moet
"de dingen naauwkeurig leeren kennen. Goed te zien,
"wat onder het bereik van de oogen valt, goed, dat is
"met onderscheiding, te hooren de geluiden en toonen, die
"het oor treffen, naauwkeurig te betasten, wat onder hel
"bereik der handjes valt, ziedaar den eenigen weg, en den