Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 153 —
zij met steentjes naar eene oude vrouw, die lien niet in-
halen kon; en vervolgens een' appelboom, met vruchten
beladen, digt bij den weg ziende, kropen zij, meenende,
dat niemand het merkte, door de haag en plukten appe-
len. PiETER mögt er dus t'huis den schrik onder hebben,
hij had toch geen regt tot pogchen: als 't met de kinde-
ren wezenlijk goed gaat, strekken zij de hand niet uit naar
eens anders eigendom.
Klaha was met haar kroost geheel anders te werk ge-
gaan. Willem en zij hadden getracht hunne kleinen
vroegtijdig, ja al in 't eerste levensjaar, tot ondergeschikt-
heid te stemmen. Beiden waren overtuigd, dat gehoor-
zaamheid de eerste pligt is, welken het jonge kind begrij-
pen kan en betrachten moet. Zij beschouwden de ge-
hoorzaamheid als het middel, waardoor de ouders goede
gewoonten kunnen doen ontstaan en kwade gewoonten
kunnen voorkomen of uitroeijen; zij meenden, dat, waar
geen gehoorzaamheid bestaat, de moeite, aan de opvoeding
besteed, zonder vrucht blijft. Maar aan den anderen kant
waren zij even iiniig overtuigd, dat de gehoorzaamheid
niet mögt worden een juk, aan de kindereu opgelegd, om
minder last van hen te hebben. Wenschten zij gezegge-
Hjke, zij wenschten ook gelukkige kinderen groot te bren-
gen, en wachtten zich wel, door al te dikwijls verbieden
en gestadig berispen, het eerste levensgenot, de zoete
vreugd van de kinderjaren, te vergallen. Zij hadden zich
gewend alleen datgene te verbieden, wat in zich zelf be-
rispelijk is, of voor de gezondheid en het leven hunner
kleinen gevaarlijk kon worden. De kinderen, meenden zij,
moeten gehoorzaam gemaakt worden om hunnentwil, tot
hun eigen nut en niet voor het gemak van de ouders;
daarojn verbood klaka nooit, zoo lang zij niets ergers
deden, dan wat luidruchtig zijn bij 't spel, of den boêl
in de kamer wat overhoop maken; en wili.em beweerde
zelfs, dat, even als het inbakeren van jonge kinderen
schadelijk is voor de ontwikkeling van hun ligchaam, zoo
ook het gemis van cdle vrijheid om te handelen, belemme-