Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— j/a —
lieeft, wordt liet verdrietig en lastig. In 'i derde jaar is
liet gaarne in 't gezelschap van andere kinderen en houdt
zich al met hen bezig.
Aan die ingeschapen zucht, of om juister te spreken,
aan die ingeschapen behoefte om bezigheid te hebben,
//loct voldaan worden. Wanneer men de kinderen zonder
bezigheid laat, blijven hunne geestvermogens, bij gebrek aan
opwekking en oefening, achterlijk en traag, zoodat men doffe
suffers of luije weetnieten grootbrengt; ook vervalt het
kind, dat geene gepaste bezigheid heeft, altijd tot eene
of andere kwade hebbelijkheid. Wie daarentegen zijne
kleinen van het eerste levensjaar af naar behooren weet
bezig te houden, maakt hen schrander, deelnemend, welge-
moed en gezond. Passende bezigheid te verschaffen, zie-
daar het ware geheim van de eerste opvoeding. Wie zijne
kinderen aan ledigheid en verveling prijs geeft, doodt èn
hun ligchaam èn hunnen geest. Het komt er maar op
aan eene bezigheid te vinden, die berekend is voor den
lageren trap van ligchamelijke en verstandelijke ontwik-
keling, waarop het kind staat. Zulk eene bezigheid nu
is het spel. De eigenlijke bezigheid van kinderen, bene-
den het achtste jaar, is — spelen. Het spelen spant en
oefent al de verschillende krachten van het kind, zonder
ze te overspannen, en werkt daarom zoo onuitsprekelijk
weldadig. Ook voor 't ligchaam is het nuttig, omdat de
kinderen het meest van die spelen houden, welke met be-
weging gepaard gaan. Wie oppervlakkig oordeelt, niag
gelooven, dat een jeugdig menschelijk wezen toch wel wat
nuttigers kan doen dan spelen, en dat het vrij onver-
schillig moet wezen, of een kind al dan niet speelt. \\'ie
verder denkt, oordeelt anders. A'oor volwassenen mag
spelen niets anders zijn dan verpoozing en uitspanning:
voor kinderen daarentegen is spelen inspanning, en wat
meer is, nuttige en leerzame inspanning.
Bijna al wat de kinderen gedurende de eei'ste levens-
jaren leeren, leert hen het spel. A ooreerst oefent en
scherpt het de zintuigen, en dit is van groot aanbe-
lang, want door middel van de zintuigen komt het kind
tot kennis van de dingen, die het omringen. IMaar