Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— MO -
niet; al was liet middaguur däär, er kwam geen vuur aan
haren haard. Zij sprak bijna niet; enkele malen hoorde
men haar zeggen: Kinderen, 't is mijn schuld! als on-
derhield zij zich met hare dooden. De waardige Geeste-
lijke bezocht haar en sprak van wederzien. Voor een
oogenblik verhelderde zich liaar gelaat; zij antwoordde
evenwel---- niets. Maar daags daaraan ging zij tegen 't
A allen van den avond uit. Eene goedhartige buurvrouw,
die haar op een' afstand gevolgd was, vond haar op 't
kerkhof op het graf van hare kinderen neergeknield. Of-
schoon hare krachten zigtbaar verminderden, deed zij dien-
zelfden gang nog dikwijls. Zij teerde meer en meer uit.
Na tw ee maanden kon zij niet meer opstaan van haar bed,
cn toen haar stem bij het naderen van den dood zwakker
en zwakker werd, hoorde men haar nog bij zich zelve
zeggen: Kinderen, 't is mijn schuld!
Haar overlijden verwekte algemeen diepe deernis. Nooit
welligt hadden zich de mogelijke gevolgen van zorgeloos-
heid in Ireil'ender licht vertoond. De w^eduwe marx had
hare kinderen liefgehad — haar wegkwijnen en dood
bew ees dat, — en toch was zij achteloos en nalatig ge-
Aveest, en zoo was zij oorzaak geworden van den dood
harer beide alles goeds belovende kinderen. Had zij bij-
tijds gezorgd, de afzigtelijke pokziekte zou ze niet heb-
ben weggerukt; want van de kinderen, die gevaccineerd
waren, was er geen enkel op het dorp aangetast; van
de volwassenen, aan wie in hunne kindsheid de koe-
pokken waren ingeënt, waren maar zeer weinige ziek
geworden, en van deze weinige was niemand gestorven.
De kinderen, welke met die van de weduwe onder het-
zelfde dak woonden, maar gevaccineerd waren, waren
vrijgebleven; zij hadden gespeeld in de kamer, waar de
zieken lagen — zij waren vrijgebleven. En toch —
al scliijnt het ongeloofelijk, het is, helaas! waar — toch
heeft de koepokinenting onverschilligen, ja zelfs vijan-
den. Onder het tegenwoordig geslacht zijn er, dank
diezelfde koepokinenting, slechts weinigen, die de na-
tuurlijke kinderziekte in hare verschrikkelijkheid kennen.
Daardoor tot zorgeloosheid vervallende, slaat menig een