Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 139 --
twee zoontjes, haar' eenigen schat, engelen van khideren,
de één van zes, de ander van vier jaar. Daar de kin-
derziekte zich sedert de geboorte van het oudste der heide
knaapjes hijna niet op het dorp had vertoond, had de
weduwe m\rx het gevaar van pokken krijgen zoo zwaar
niet geteld, en geen gebruik gemaakt van de dikwijls aan-
geboden gelegenheid om hare kinderen te laten vaccineren.
A'reesselijk zag zij zich voor haar verzuim gestraft! Eerst
werd haar oudste kind aangetast. Nadat het drie dagen in
hevige koorts en hooggaande benaauwdheden gelegen had,
kwamen de pokken uit; het scheen nu wel wat heter te
zijn, maar die beterschap was van korten duur: het erg-
ste van de ziekte moest nog komen; de pokken werden
grooter en met etterstof gevuld; zij openden zich, vorm-
den korsten; het arme kind w as onkenbaar — een toonbeeld
van jammer. De koorts ontstak op nieuws en ging nu
gepaard met onophoudelijk ijlen, totdat de dood aan dit
verschrikkelijk lijden een einde maakte. Intusschen was op
den dag, toen bij dit kind de pokken doorgekomen wa-
ren, het jongste zoontje bedlegerig geworden. Wie schetst
den angst der moeder bij het ziekbed van haar toen eenig
overgebleven kind? De gedachte: "Had ik maar intijds
gezorgd!" was reeds bij haar opgekomen, toen de oudste
ziek werd; die gedachte verscheurde thans als met een'
dolksteek haar hart____maar 't was nu te laat; het gevaar
was niet meer af te wenden; de pokken moesten haren
loop hebben. Zij zag het lieve gelaat van haren Willem ,
onder een masker van afzigtelijke korsten, onkenbaar
worden; zijne gezwollen en zaamgekleefde oogleden open-
den zich niet meer; nog had de moeder hoop; op den
elfden dag verhief de koorts zich op nieuws, en ach!
twee dagen daarna herkende hij moeders stem niet meer
en sprak onophoudelijk wartaal. Nog drie dagen duurde
het, en toen had de weduwe marx haar laatste kind ver-
loren.
Verbeeld u den toestand van die ongelukkige! 't was
erger dan rouw, wat haar folterde, 't was zelfverwijt, 't
was wroeging! Zij verviel tot dofle wanhoop. Uren ach-
tereen zat zij bewegingloos op dezelfde plaats. Zij at bijna