Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 128
is, en sdieidcn zij van zelve iiit, dan is dit liet bewijs,
dat zij genoeg hebben. ]^et wel: ik spreek hier niet van
lekkernijen, ik spreek van gewonen, eenvoiuligen kost. Yan
koekjes, gebak en vruchten zullen de meeste kleinen, als
men hun volle vrijlieid laat, te veel gebruiken; maar van
de dagelijksche op eenvoudige wijs toebereide spijzen, b. v.
brood, soep, groenten, eten de kinderen doorgaans totdat
zij een gevoel van verzadiging krijgen, dat hen van zeli
doet ophouden. Men treft, ik beken het, enkele kinde-
ren aan, die van geen uitscheiden weten, voortetende en
voortelende, zoo lang hun gegeven wordt, en in zoodanig
geval behoort de moeder de hoeveelheid te bepalen, en
niet meer toe te staan, dan zij nuttig oordeelt. Maar in
verreweg de meeste gevallen zal het ontstaan van het ge-
voel van verzadiging bij het kind, den besten maatstaf ople-
veren. Noch gij, nocli ik, noch iemand kan naar een alge-
meen geldigen regel bepalen aaji oen kind van zooveel
jaren moet zoo- of ;:ooveel voedsel gegeven worden. Er
zijn kinderen die betrekkelijk meer, andere die betrekke-
lijk minder spijs noodig hebben. Merkt dus op, hoeveel
uw kind, in gezonde dagen, van eenvoudige spijs (niet van
lekkernij) èn met graagte tot zich neemt, èn gemakkelijk
verteert, zoo zult gij ten naasten bij kunnen bepalen,
hoeveel spijs het inderdaad behoeft. Gebeurt het, dat
de kleine soms minder honger heeft dan gewoonlijk, zoo
dwingt hem vooral niet tegen zijii' wil de dagelijksclic
hoeveelheid op. Ik ken moeders, die aldus redeneren: zoo-
veel at mijn kind gisteren, zooveel moet er dus ook van
daag in. Gaat nooit alzoo te werk. Heeft uw kind van
daag minder honger dan gisteren, zoo heeft het van daag
ook minder behoefte, en door voedsel op te dringen, zoiult
gij het ziek maken. Maar van een anderen kant ook,
weest niet te schroomvallig, weest niet te karig, zoo lang u^v
kind van den gewonen liuiskost ujet graagte eet. Wij volwas-
senen eten, om, wat het ligchaam verliest, liersteld te krij-
gen; maar het kind eet om in gewigt en omvang toe te ne-
men, om groot en sterk te worden. Het behoeft dus, in ver-
houding lot den omvang en hel ge^Nigt van zijn ligchaam,
meer voedsel dan een volwassen mensch.