Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3 —
II.
UlTZIGT EN VOORBEREIDING.
De eerste maanden van liun liuwelijk vloden in een om-
mezien voorbij. Maar willem's bezigheden vermeerderden
alras en ki.ara bleef een groot gedeelte van den dag alleen.
De kleine liuisliouding was spoedig verzorgd. Wel bezioclit
ki,\ra dikwijls bare ouders of ontving deze, als ook de broeders
en zusters ten liarcnt, maar er kwamen niettemin oogen-
blikken, waarin 't haar toescheen, dat haar — hoe gelukkig
zij zich ook met haar' willem gevoelde — toch nog iets
ontbrak; zij vermoedde, dat zij nog gelukkiger kon wor-
den dan zij reeds was; dat zij, voortlevende op den voet
als nu, aan hare roeping nog niet in allen deele vol-
deed. Als de kinderen van hare buurvrouw voor het huis
speelden, plagt zij in dien aanblik haar werk te vergeten
cn met een gretig oog hunne vrolijke en welgedane ge-
zigtjes te bespieden, tot zij, bijna ondanks zich zelve, uit
hare voordeur trad om eene versnapering aan de kleinen te
brengen en hen eens hartelijk te kussen. Als willem bij haar
was, en soms ook in zijn afzijn, verweet zij zich zelve, dat zij,
bij al het goede, haar ten deel gevallen, nog onvervulde
wenschen had; maar in uren van eenzaamheid kwam dal
stil verlangen weer op. Willem, die zich over en over
gelukkig gevoelde — wat kon hem ontbreken nu hij zijne
klara bezat? — begreep niet wat er in 't hart zijner vrouw
omging. Eindelijk op zekeren morgen, toen willem, na
vroeg uitgegaan te zijn, teruggekomen was om te ontbijten^
schikte zij haar' stoel nader aan den zijnen, en aarzelend fluis-
terde zij hem inliet oor: "Willem! ik geloof, dat de eenige
"wensch, dien wij nog overhadden, vervuld zal worden....
"Willem! ik meen, dat----, dat----" Een goed verstaander
heeft maar een half woord noodig; willem verstond haar.
U zijne verrukking te schetsen onderneem ik niet en zeg
I *