Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 113 —
Bovendien behoorde leder kind eenmaal in de week ge-
baad te worden, 's Winters moet het bad laauw wezen;
doch in de warmste zomerdagen behoeft het voor kinderen,
die reeds aan koude wasschingen gewend zijn, niet warm
gemaakt te worden, zoo mcji maar zorgt, dat het water
eenigen tijd aan de inwerking van de warmere lucht in
de kamer is blootgesteld geweest, ^fogt het gebruik van
baden hier te Lande weèr in zwang komen, gelijk het in
vroeger eeuwen ook bij ons in zwang geweest is! De
zorg voor de geregelde werking der huid (liuidcultuui),
die bij de Ouden een voornaam deel uitmaakte van tle
kunst om zich gezondlieid en kracht te verschalTen, die
zorg wordt hier te I.ande jammerlijk verwaarloosd. In 't
gebruik van baden, laauw of koud, naar gelang van het
jaargetijde, en van den oogenblikkelijken toestand van het
ligchaam, steken krachten, waarvan het publiek bij ons
geen denkbeeld heeft. Het laauwe bad reinigt niet alleen
de huid (voor den handwerksman, wiens ligchaam bij den
arbeid gestadig door stof en uitwaseming bezoedeld wordt,
is het wezenlijk behoefte zich ten minste eenmaal in de
week te baden), maar neemt als door een' tooverslag de
vermoeijenis weg, die hot gevolg is van langdurige in-
spanning, en laat eene kalme, tevredene gemoedsstemming
achter. In een laauw bad is oneindig meer ware ver-
kwikking voor den vermoeide, dan in den sterken drank,
dien vele onzer landgcnooten zoo roekeloos inzwelgen.
Kende de ambachtsman de weldadige werkingen van het
O O
laauwe bad bij ondervinding, hij zou des zaturdagsavonds,
na volhragten arbeid, liever naar het badhuis, dan naar
de kroeg gaan, en bij den aanvang van den rustdag
hart en hoofd vrij hebben voor wat beter indrukken en
gedachten, dan hij hem kunnen opkomen, die zich den
vorigen avond aan den jenever te buiten ging. Mogt dc
Landsregering en mogten vooral de Plaatselijke Besturen
de oprigting van badluiizen begunstigen! Zulke Inrigtin-
gen kunnen èn op zich zelve èn meer nog in verband
met waschhuizen, gelijk in naburige Landen, op de ge-
zondheid van ons volk een' allerheilzaamsten invloed oefe-
nen. Zijn wij niet de afstammelingen van de Batavieren,
8