Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 110 —
genot, waarop zij gesteld zijn, te onthouden, maar vooral
niet door slagen; lien te prijzen en te heloonen , als zij
zicli 's nachts droog gehouden hehhen, enz. 't Gebeurt
wel, ik beken het, dat de ouders zoo doende hun doel
toch niet bereiken, want soms bestaat er bij de kinderen
een ziekelijke toestand, die meestal door passende genees-
middelen kan verholpeji worden , maar geen straf, vooral
geen slagen verdient. Ook als er bij dag eens een onge-
lukje gebeurt, is 't verkeerd de kinderen streng te straften;
zij verzwijgen het dan een' volgenden keer zoo lang moge-
lijk en blijven met deu natten boel aan 't lijf; waarvan
verkoudheid en zelfs ziek worden 't gevolg wezen kan.
Lena. Zie zoo! dat moesten wij nu maar afgepraat hou-
den , en in uwe opstellen over ligchaamsopvoedkunde zult
gij dat onderwerp ook wel niet behoeven aan te roeren.
De Hollandsche vrouwen zijn uit haren aard zindelijk, en
hebben geene aansporing noodig om hare kinderen zinde-
lijk te maken.
Doctor. Gij beiden zeker niet, vriendinnen! maar laat
ons niet al te hoog opgeven van de zindelijkheid on-
zer natie. Mijn beroep brengt meè, dat ik nog al veler-
lei menschen zie onder verschillende omstandigheden: ik
ken zoo menig eene, die zindelijker is op haar huisraad
cn bovenkleeren dan op haar' persoon: ik ken vrouwen,
die op gezette tijden in hare woning alles schoonmaken,
behalve zich zelve. De zindelijkheid op het ligchaam is
bij sonunige andere natiën grooter dan bij ons, en is niet
die zindelijkheid juist de noodigste? En de mannen ten
onzent! 't Scheelt veel, dat allen de pligt der zindelijk-
heid naar behooren in acht nemen. Ik heb een zestigjarig
man gekend, die er zich op beroemde, dat, sedert hij zijn
eigen meester was, zijn i-ug nooit nat was geweest; zoo
doen er meer, al pogchen zij er niet op. Er is waarschijn-
lijk geen Land in Europa, waar de menschen zoo zelden
een bad nemen, als in het wegens zindelijkheid hoog ge-
prezen Nederland. Als men maar van tijd tot tijd schoon
ondergoed aantrekt, is — meent men hier — het baden
onnoodig. Men bedriegt zich: de huid moet dik^vijls vol-
komen gereinigd worden, en het aantrekken van schoon