Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 108 —
heid bovenal. Zonder strikte zindelijkheid is geen gedijen,
geen gezondheid noch van ligchaam, noch van ziel mo-
gelijk. Wat gij ook voor iiwe kleinen doet, zoo gij ze
niet zindelijk houdt en zoo vroegtijdig mogelijk zindelijk
maakt, zult gij niet gelukkig slagen in uw wprk. In een
onrein ligchaam kan ook de ziel niet rein hlijven. Ik hen
overtuigd, dat men aan de kinderen reeds in de eerste levens-
maanden de hehoefte kan doen voelen om zindelijk te zijn,
cn als die hehoefte eenmaal hewustheid wordt, zoo is er
voor de verdere vomiing al veel gewonnen. Als gij uwe
kleinen van den eersten leAcnsdag af niet alleen dagelijks
behoorlijk wasclit — wat trouwens voor hunne gezond-
heid onmisbaar is, — maar uw best doet om ze telkens,
zoodra zij hunne luijers verontreinigd hebben, droog te
leggen, krijgen zij er al zeer spoedig hinder van als zij
zich door groote of kleine boodschappen besmet hebben,
en geven door hun schreijen te kennen, dat zij gereinigd
wenschen te worden; dit is een eerst, ofschoon nog duister
besef, dat zindelijkheid iets wenschelijks is, en 't pleit,
mijns inziens, zeer voor de moeders, als jonge kinderen
er hinder van voelen wanneer zij zich verontreinigd hebben;
want zijn ze niet van den eersten dag af zindelijk gehou-
den , dan voelen zij geen verlet van morsigheid, en dit
beschouw ik reeds als een kwaad Aoorteeken. Daar komt
bij, dat als eene moeder haar kind zelve reddert, zij dan
tegelijk toezigt houdt op den aard en de menigvuldigheid
van de ontlastingen, en ook dit is noodig, omdat de leef-
regel van het kind daarnaar in menig geval eenige wijzi-
ging noodig heeft. Zonder geregelde ontlastingen is ge-
zondheid op den duur onbestaanbaar. Is de stoelgang over-
,matig, zoo verzwakt het kind, gelijk men aan de bleek-
heid en de dieji liggende oogen zien kan. Is zij ontoerei-
kend of geheel gestremd, dan raakt de spijsvertering in de
^var en lijdt de gezondlieid op eene andere wijs. Is het
voor den volwassene in den regel voldoende, eens of twee-
maal in de vier en twintig uren stoelgang te hebben, kin-
deren voelen die behoefte menigvuldiger. De moeder be-
hoort ook in dit opzigt haar kind opmerkzaam gade te slaan,
eu het na den afloop van 't eerste jaar iederen dag meer