Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 106 —
op (Jqii goeden weg gebragt en als met onweêrstaanbare
kracht bevorderd worden.
Klara. Ik gevoel, dat gij gelijk hebt, en zal waken
voor mijn' albert. Ik zal letten op allen, die met hem in
aanraking komen, en zooveel mogelijk zorgen, dat geen
onvertogen woord zijn oor treffe. Maar nog iets: 't Heeft
mijne opmerkzaamheid gewekt, dat sommige jonge kinde-
ren, als zij woorden tot volzinnen beginnen te verbinden,
zoo onaangenaam langzaam spreken. . . ieder half uur een
woord. . . en ik vind, dat mijn albertje ook al in dat
geteem begint te vervallen.
Valkemiüize. Geduld maar, alweer geduld! Dat lang-
zaam spreken gaat ook al van zelf beter; maar als men
die langzaam sprekende kinderen aanspoort zich vlugger
uit te drukken, beginnen zij te stotteren, en hun dat af
te leeren, gaat uiterst moeijelijk.
XVII.
ZINDELIJKHEID, EEN HOOFDVEREISCHTE BIJ
DE OPVOEDING.
"Rijkelui-wensch!" zei de baker, toen zij, twee jaar na
de geboorte van albert, zijn pasgeboren zusje bij de moe-
iler aan 't bed bragt. "Kijk of niet," sprak vvillem, "ik
dank God, dat ik er eene dochter bij heb! Mogt zij wor-
den als hare moeder, en komen er meer, zij zullen wel-
kom zijn."
Toen klara, na hare herstelling, voor de eerste maal
met hare beide kinderen op straat kwam (albert drib-
belde achteraan, moeders rokken vasthoudende), zei Juf-
vrouw van der terp, die haai' van achter hare gordijntjes
begluurde, en zich met vrouw van de werve aan een
gloeijend opkooksel van koflijdik met klontjes te goed deed: