Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 103 —
sterk verliclite dingen begon geboeid te worden, droeg zij
bem naar die voorwerpen heen, of gaf ze, als 't moge-
lijk was, in zijne handjes, en noemde er den naam van
bij herhaling en zoo duidelijk mogelijk. Nog geen jaar
oud, verstond ALBERT niet alleen den naam van het een
en ander, maar hij deed al moeite om sommige woorden van
eene enkele lettergreep, zoo als moeder ze gesproken had,
op zijne wijs na te spreken. Als hij een' hond zag, riep
Iiij, terwijl de vreugd zijne oogjes uitschitterde: waf!
waf] omdat klara voor hem het blaffen van den hond
had nagebootst; op gelijke wijs heette de koe boe en het
schaap mai. Al spoedig leerde hij nu met een enkel
woord aanduiden, wat hij verlangde te hebben, maar dit
enkele woord werd zoo gebrekkig uitgesproken, dat moe-
der alleen begrijpen kon, wat hij eigenlijk meende. Zoo
moest din beteekenen, dat hij drinken wilde, et beteekende
ete)i, enz. En toch was de manier, waarop hij zijn ver-
langen uitdrukte, zoo eigenaardig lieftallig, dat klara zich
niet weerhouden kon hem bij ieder nieuw woord, dat hij
uitbragt, al was het ook onverstaanbaar, te kussen. Toen
hij voor de eerste maal moeder zei, was zij geheel en al
verrukking, en waarlijk, de kleine ALBERT w as een be-
minnelijk schepseltje, als hij met uitgebreide armpjes en
met oogjes fonkelende van vreugd en levenslust, kwam
aanloopen en moê! moe-tje! riep. Zelfs willem was op-
getogen, toen zijn kind hem, nadat hij voor zaken een
paar dagen afwezig geweest w as, met den vadernaam —
ofschoon dan ook gebrekkig uitgesproken — begroette.
V^alkenhbize , voor wien 't een lust was ooggetuige te zijn
van hun huisselijk geluk, dreigde weleens halfin ernst,
half schertsend met den vinger, terwijl hij zei: "Weest
toch zoo opgetogen niet met het krom spreken van al-
bertje: hij is allerliefst, ik beken het, maar als gij zoo-
veel welgevallen toont in zijne br abbeltaal, zal hij zich dan
wel moeite gaan geven om beter en meer verstaanbaar
le spreken? Ik geloof zelfs niet, dat gij beiden er af-
keerig van zijt hem nu en dan uit aardigheid krom voor
te spreken. Gij zoudt hem zoo doende in de vei'beelding
brengen, dat krom spreken fraai staat."