Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
•PW
— 97 —
gebleven. Dat is de ware reden, -waarom aiijïA, nu ander-
half jaar oud, zoo als gij zelve getuigt, nog geen beenen
heeft om te staan. Alle deelen, die volgens hunnen aard
■werkzaam zijn, nemen toe in omvang en kracht; alle dee-
len, die ongebruikt blijven, blijven slap en achterlijk.
Waarom heeft de smid zulke sterke armen? Omdat hij
genoodzaakt is ze duchtig in te spannen? Waarom kan
de bode van ons dorp dagelijks zooveel uren achtereen
te voet gaan? Omdat zijne beenen door dagelijksche in-
spanning en veelvuldig gebruik sterk geworden zijn. De
algemeene natuurwet, dat beweging en inspanning kracht
geven, geldt voor het pasgeboren kind even zoowel als
voor den volwassen' mensch, en als ik zeg, dat in den
regel maar één ding noodig is om vroegtijdig te leeren
loopen, dan bedoel ik daarmeê, dat men aan de beentjes
van het kind, van de eerste levensweken af, zooveel mo-
gelijk vrijheid moet laten om zich te bewegen. Als men
het kind niet inbakert, en het van de vierde maand af
dagelijks op een zacht kleed of karpet op den grond
neerlegt, dan gaat het loopen leeren van zelf. In ieder
gezond kind (en nwe mi^'A is een gezond kind) ligt van
de geboorte af de aandrift om de leden veel le bewe-
gen: geeft men aan dien wenk der Natuur gehoor, dan
leert de kleine in de laatste helft van het eerste jaar kriii-
pen, en zal, naauwelijks een jaar oud, zich van den grond
gaan oprigten, en leeren loopen, zonder dat iemand er
eene hand bij behoeft uit te steken.
Lena. Meent ge dan in ernst, Doctor! dat de moeite,
die wij moeders ons geven om onze kinderen te leeren
loopen, onnoodig is?
Doctor. Wel zeker meen ik dat, lena! Zoodra de
zuigeling voelt, dat er kracht komt in zijne knietjes, voelt
hij ook den lust, ik zou bijna zeggen de behoefte om zich
van den grond op te rigten. De moeders beschouwen het
leeren loopen lo veel als iets, dat zij hare kinderen on-
derwijzen moeten. Daarom doen zij gemeenlijk aan den
eenen kant te veel cn in de hoofdzaak niet genoeg. Do
hoofdzaak is, dat men door verstandige verzorging Aan
het ligchaam, en vooral door vrijheid aan de bewegingen
7