Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 91
de tandjes in 't verborgene in de kaakjes. Omstreeks de
zesde of zevende maand bemerkt men bij vele zuigelingen,
dat zij minder rustig zijn dan anders; veelal kwijlen zij
meer dan vroeger, en beginnen zij eensklaps luid te schrei-
jen en komen dan weêr spoedig tot bedaren; vaak ziet
men op eene of beide wangen een scherp afgeteekend rood
plekje; ook knabbelen zij aan alles, wat zij grijpen kun-
nen, en hebben gaarne, dat men de kaakjes zacht met
den vinger wrijft; wanneer later het tandvleesch begint te
zwellen, rood en heet wordt, geven zij blijken van pijn,
als men de keveltjes aanraakt, en vermijden alsdan zooveel
mogelijk iets in den mond te nemen. De onrustigheid wordl
onder deze omstandigheden grooter. Dikwijls ontstaat er
vermeerderde ontlasting (doorloop), enkele malen komt er
ook koortsigheid en hoest bij (stuipen behooren bij gepas-
ten leefregel gelukkigerwijze onder de zeldzame verschijn-
sels). Het gebeurt soms, dat zich een wit of donker rood
plekje op het tandvleesch vertoont, aleer het tandje ver-
schijnt; is dit doorgebroken, dan wijkt ook in den regel
de onrustigheid terstond. Omstreeks de achtste of negende
maand breken gewoonlijk de twee middelsnijtandjes in de
onderkaak door; deze zijn in den regel de eerste; meestal
komen zij gelijktijdig, ten hoogste een paar weken na elkan-
der. Nu volgt gewoonlijk een tijd van rust of stilstand,
geschikt om het kind, zoo het bij de vorige tanden eenig
ongemak mogt geleden hebben, te doen bekomen; deze
tusschentijd duurt langer of korter, gemiddeld drie maan-
den. Omstreeks de elfde of twaalfde levensmaand breken,
gewoonlijk weêr vrij kort na elkander, de vier boven-
snijtanden door; daarna volgt weer een tijd van rust, welke
vier of vijf maanden duren kan. Dan volgen de twee
buitenste benedensnijtanden en de vier eerste kiezen of
maaltanden binnen een kort tijdsbestek. Wederom na een'
tijd van rust worden gedurende de laatste helft van hel
tweede jaar de vier hoek- of oogtanden zigtbaar. Bij den
aanvang van het derde jaar krijgt hel kind nog vier maal-
tanden. Hel geheele getal bedraagt nu twintig: men noemt
ze melktanden. In het zevende jaar beginnen zij uit le
vallen en worden door blijvende vervangen.