Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
3
iijke dingen van'^ maakt. Iladt gij wel gedacht, dat
de aardojypelen zoo veel nut bezaten?
y>En wat kunnen wij nu nog van hen leeren? om
niet slechts met een uitwendig schoon te pronken, maar
levens, en wel voornamelijk y inwendig schoon, dat is:
kennis en deugd ^ te bezitten. Dan eerst kunnen wij
verwachten, zeiven gelukkig te worden en nuttig voor
anderen te zullen wezen,^^
Vrajjen: 1. Welk nut hrengcn de aardappelen voort? —
2. Wat kunnen wij mm hen leeren?
III.
Be Honigbijen,
LEKJiTJE speelde in den tuin van haren vader, waiir eenige
bijenkorven stonden. Dikwijls had men haar gewaarschu^vd,
daar niet te digt bij te komen, vermits de bijen haar ligteUjk
konden steken. Zij deed zulk», als een gehoorzaam kind, dus
«ok nooit; doch dit maal dacht zij niet aan de waarschuwing
en bevond zich te midden der om haar heen zwermende
bijen, alvorens zij het wist. Schiehjk liep zij nu ook weg;
doch eene der bijen had zich reeds op haren halsdoek gezet
eu stak haar in hare lip; en naauwehjks was zij eenige oogen-
blikken in huis geweest, of die lip zwol zoo geweldig op, dat
zij. wel een speldekussen geleek, terwijl leentjï er eene ge-
weldige pijn aan had. »Waartoe," riep zij al schreijende uit,
»heeft onze lieve Ueer zulke kwaadaardige dieren gescha-
pen? Ik deed hun immers geen kwaad? Waarom staken zij
inij dan?"
»Kind!" sprak op het hooren dezer woorden hare moeder,
»de honigbijen hebben onder de dieren vele vijanden, die
haar dooden of den door haar verzamelden honig zouden vveg-
rooven; en nu heeft onze lieve Heer aan dc honigbijen dien
stekenden angel gegeven, om aieh daarmede tegen hare vijan-
den te verdedigen, en tevens de drift, om allen, die de ver-
zamelplaats van haren honig naderen, daarvan te verwijderen.
Oüze lieve lieer of de bijén moeten daarom niet beschuldigd
worden, maar wel wij, menschen, wanneer wij door haar ge-
stoken M'orden, om onze nnvoorzigtighcid: want, voorzigtig
1-