Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
(lal had ik ook ivel eens willen siV/i," zei
I'iT.DLNAND; J) maov wat zou die lieer toch vxet zoo veel
duiven doenV^
tlFel, opeten,^* was het antwoord,
tOpetenl die lieve diertjes opeten T riep Fi-noiNAND
uit, terwijl hij zijne hand over zijne hoogvliegers streek,
als vreesde hij, dat zij mede gedood zouden worden,
> ÏFie zou dat kunnen doen?'^
yEn toch is het zooy"* antxcoordde Koenraad; vooral
zijn de jonge duiven eene goede spijs. En, kwaad is
dit niet; onze lieve lieer heeft ze tot ons gebruik gegeven,
als wij ze slechts niet martelen. Bovendien worden ook
de vederen, zoo wel als die van andere vogels, ter
vulling van kussens, bedden enz. gebruikt. Dus zijn
het niet enkel zachtaardige, lieve beestjes, maar tevens
nuttige: want hunne mest strekt mede ter vruchtbaar-
making van sommige landerijen en kan zelfs als zeep
geb7'uikt worden?''
^Ik zou die lieve diertjes toch niet kunnen dooden,
hoe lekker zij mogen smakenzeide Ferdinand hierop,
terwijl hij naar hel hok liep, om er zijne duiven in
te zetten, waarheen Koenraad hem volgde,
Vraycn: 1. Als hoedanig zijn de duiven ten opzigte ran
hare geaardheid bekend? — 2. Verschafien ook zij cenig nut
aan den mcnsch, en welk?
XXX.
(Dg KOPPgd.
Onclenvijl Ferdinand aldus met zijne duiven bezig
was, bield zijne zuster Amelia zicb met dc kippen on-
ledig, welke in eenen grooten loop in den tuin opge-
sloten waren. Zij was gewoon, deze dieren dagelijks
voedsel le geven; en zij kenden baar ook zoo, dat zij
dadelijk naar iiaar kwamen toesnellen, roo dra zij aan