Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
XXVI.
HET RENDIER.
Lodewijk , van wien vroeger reeds meermalen verliaalil
is, wandelde eenigen tijd na hel laatste gesprek in hel
Losch van den tuin en vond den tuinman bezig, mei
de boomen van mos en andere onreinheden te zuiveren.
Dit gaf aanleiding tol een gesprek, waarin dc tuinman
bem verhaalde, dal er verschillende soorten van mos
bestaan, die aan de boomen of op andere plaatsen
groeijen; dal er ouder deze mossoorten eenige gevon-
den worden, die van zeer groot nut zijn, zoo als liet
eikenmos, het iersche- en ijslandsche mos, welke in
de geneeskunde gebruikt worden, terwijl bet laalsie
tevens lot meel bereid en gegeten wordt. Ook hel ren-
dieren mos noemde hij; en nu vroeg Lodewijk, waarom
dit zoo gehceien werd, waarop de tuinman antwoordde,
dat bel rendier, een der nuttigste dieren op de aarde,
er zich mede voedde, en dat bet daarnaar dien naam
droeg. Hierop vroeg Lodewijk : i En in welke opzig-
tcn is het rendier zoo nuttig. Baas?"
«Dit dier," was hel antwoord, tstrekt lot een dui-
delijk bewijs van Gods vaderzorg voor Zijne schepselen,
alles in zich vereenigende, wal de koe, het schaap en
paard gezamenlijk aan ons verschaffen. In de koude
geweslen worden weinig diereu gevonden, althans geene
zoodanige, welke zich aan den mensch gewennen, ge-
lijk by ons bet paard enz. Een groot gedeelte van het
jaar zijn er de grond en wateren bevroren en met
sneeuw bedekt. Dil veroorzaakt niet slechts, dal er
weinig groeit, maar tevens, dal zij niet, gelijk bij ons,
door schuilen of wagens bereisd kunnen worden. Daar-
om doel men zulks veelal met sleden, welke gemak-
kelijk cn spoedig over de sneeuw en het ijs glijden.
Voor deze uu spant men de rendieren; eu die snel-