Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
Viage«: l. Waarom kan men, de tarwe met do rogge ver-
gelijkende, de eerst O goud cn do tweede zilver noemen? —
2. Welk nut verschaft de tarwe dan? — 3. Wat kan men
ook uit deze verscheidenheid van spijzen leeren?
XXV.
Albertds was bezig, de fabel van geiieni: Het
paard en de ezel, van buiten te leeren, die hij in de
school moest opzeggen, en welke aldus begint:
Een rijpaard enz.
Toen hij haar van buiten kende, sloeg hij het boek
loe, bergde het netjes op zijne plaats en huppelde daarop
vrolijk de kamer uit naar den tuin.
Aldaar zijnen vader ontmoetende, verhaalde hij
aan dezen, dat hij zijne fabel reeds van buiten kende,
en voegde er vervolgens bij: nMaar zeg mij eens,
Vader! wat is toch eigetilijk een rijpaard?"
Zijn vader antwoordde: nElk paard kan tot ailes
afgerigt en gebruikt worden, zoo als trekken, ploegen,
dragen enz.; nogtans worden zij gewoonlijk slechts bij-
zonderlijk tot eene dezer verrigtingen gebezigd en daar-
om veelal onderscheiden in werkpaarden, rijpaarden en
koetspaarden. Tot rijpaarden ivorden de schoonsten en
ftjnsPen gebruikt; lot koetspaarden die groole, gewoon-
lijk zwarte en meestal uit de Provincie Vriesland af-
komstig; de anderen, over het algemeen grof van poo-
len, minder groot en niet zoo fijn of schoon van leest,
tol werkpaarden, welke allerlei werk, op hel land zoo
wel, als in de sleden, verrigten. Jammer slechts voor
de arme dieren, dat zij bijna allen, oud en stram ge-
worden zijnde, het zwaarste werk moeten doen ■■ want
alsdan hunne sierlijkheid en vlugheid verloren heb-
bende, worden zij gewoonlijk aan slepers cn jagers