Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
•2(>
XVIII.
De Eik, Pruimenboom, Kastanjeboom, Wil^,
Lindeboom, Pijnboom en Berkenboom.
Herman en Bonifagiüs, twee leergierige jongens, wedden met
elkander, wie van hen de meeste boomen zoude kunnen op-
noemen, benevens het nut, dat die aanbragten. Daar zij ech-
ter iemand noodig hadden, om hun geschil te beslissen, zoo
besloten zij, hunnen onderwijzer tot scheidsman te kiezen, die
hen dikwijls over de iNatuuriijke Historie onderhield. dat zij
dezen dan hun verzoek voorgesteld hadden, en dit door hem
aangenomen was, begon Hekman op deze wijze:
» 1. De eik. Deze levert zeer goed timmer- en brandhout.
Van de schors maakt men run, om het leder te looijen; van
de bladeren verkrijgt meu de galnoten; de eikels dienen tot
spijs voor de varkens, en de zoete zelfs voor de menschen.
De kurk bestaat nit den bast van eene soort van eikenboom,
wiens eikels ook gegeten kunnen worden.
2. De pruimenboom. Diens lekkere vruchten eet men zoo
of ingelegd; en men kan er ook suiker, brandewijn en azijn
van maken. Het hout van dezen boom is mede goed.
3. De kastanjeboom. Van dezen bestaan twee soorten, de
wilde en de tamme. De eerste groeit in ons Land, de laatste'
in warmere landen. Het hout van deze boomen is goed. De
zoete kastanjes worden door de menschen, de wilde door som-
mige dieren gegeten. Ook kan men van de kastanjes, tot meel
gemalen, dit als zeep gebruiken en cr stijfsel, brood en bran-
dewijn van maken.
4. De wilg, of wilgenboom, van wiens hout men klompen
cn kolen maakt; van de takken hoepels en teenen voor man-
den; de bast kan als run en, even als de kina, tegen de
koorts gebruikt worden.
5. De lindeboom, in wiens bloesem eene menigte insekten
voedsel vindt, geeft hout, waarvan men ook kolen brandt;
van het zaad maakt men olie en gebruikt het wel in de ge-
neeskunde ; en van de geweekte schors kan men touwwerk,
hoeden, matten, schoenen enz. vervaardigen.
6. De notenboom. Deze geeft goed werkimut en lekkere
vruchten, waaruit men olie kan persen, en die, gelijk de bla-
deren, wel in de geneeskunde dienen. — Ook van het hout