Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Toevallig zag Uit zijn huurman, welke reeds meerma-
len zijne barbaarschheid omtrent de dieren bespeurd
had, en zeide tegen hem, terwijl hij hem bij den arm
pakte: nJongetje! gij zijt sterker, dan deze pad;
daarom wilt en kunt gij hem verminken en dooden;
doch ik ben sterker, dan gij, en nu zou ik wel lust
hebben, om even zoo met u te handelen, als gij met
de pad wilt doen."
Meindert verschrikte niet weinig bij dezen onver-
wachten aaval en het hooren dier woorden, en zette
een zeer beangst gezigt. Eindelijk zeide hij stotterend
tegen den hem toornig aanzienden buurman: »Het is
maar eene afschuwelijke pad, die vergiftig is en ner-
gens toe deugt."
Nu zag de buurman hem een w.einig vriendelijker
aan en sprak: n Arme jongen! omdat gij niets leert,
daarom weet gij ook niets. Noen, dit diertje is niet
vergiftig, en nuttiger dan gij: want het vangt en doodt
insekten en zuivert daardoor de tuinen; maar gij doodt
enkel uit vermaak en zonder er nut door te stichten.
Op gelijke wijze, als met deze pad, handelt gij met
de kikvorschen, welke mede van insekten leven en zoo
velen dieren, zelfs den menschen, lot spijs verstrekken."
Meixdert bekende, dat hij dit niet had geweten, en
beloofde, dat hij nimmer weder "eenig dier uil vermaak
dooden, veel minder martelen zoude.
nik geloof u," hernam de buurman; »en als gij
mv woord houdt, zullen wij altijd goede vrienden blij-
ven. Neem nu de pad op en zet haar in mijnen tuin;
dan kan zif daar insekten vangen."
MriNDERT deed zulks en hield ook getrouw zijne
belofte. En ivanneer hij in het vervolg eens het een
of ander omtrent een dier of eene plant wilde weten,
dan ging hij slechts naar zijnen buurman, die met
genoegen zijne verbetering had ontdekt en hem gaarne,
als behoning daarvoor, onderriqtte.
2"