Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
i^icr cinbi0tic bc tuinman jijnc rcbc; cn %Dbc-
Itiijft/ tc öeïïomcn/ fcprccf bt onbcrflaanbE
Ura0cn in ctn bocÉtjc/ tuaarni gö büiinijïé optcc-
Jtenbc/ hiat gij oclccrb gab.
Traye/j; 4. Waartoe is het iiutti/;, dat men de dingen goed
leert kennen, welke God geschapen heeft? — "2. Welk nut
brengen de zonnebloemen, de paardebloemen, >li? vlier en
kamillen te weeg? — 3, En welk nut verschaffen oms de bloe-
men en planten in het algemeen?
XII.
DE SLAKKEN, SPINISEN, VLIEGEN, liLOEDZÜIGERS, WES-
PEN, PISSEBEDDEN, MIEREN, ZIJDEWORMEN esz.
Een ige dagen daarna bevond Lodkwijk zich wedei* bij den
tuinman. Na eene wijl met hem gepraat te hebben, zag hij
cene »lak over het pad kruipen, en nu vroeg hij: »Zeg een»,
Baas! laatst Iiebt gij mij het nut der planten doea kennen.
Maar nu die menigte insekten, welke men overal ziet; van
deze kan men toch niet zeggen, wat gij van de planten zei-
det, namelijk, dat zij tot spijs, geneesmiddelen, verwen enz.
dienen. Waartoe beslaan zij dan?"
De tuinman antwoordde: »Wat ik van de planten zeide,
kan ook van de insekten gezegd worden, namelijk: dat wij er
meer en meer het nut van ontdekken, naarmate wij hen beter
leeren kennen.
^ Vele insekten dienen tot spij;» van andere dieren, sommige
zelfs van menschen. Dit is een algemeenc regel. Eenigen van
hen vangen weder insekten op hunne beurt, zoo als de spin,
van wier webbe men handschoenen en andere dingen kan ver-
vaardigen. De slakken, de mieren en de afzigtelijke piasebed-
den gebruikt men in de geneeskunde; ook de spaansche vlie-
gen, eene vliegensoort, grooter, dan de andere en goudgroen
vtin kleur. De galwesp boort een gaatje in de bladeren der
eikenboomen, om er hare eitjes in te leggen, en hierdoor ont-
staan de galnoten, waarvan men inkt en eene verwstof be-
reidt. Eene andere soort van wespen steekt tot dat zelfde
einde een gaatje in de vijgen, waardoor deze rijp worden,
hetwelk anders niet geschieden zou. En dat de bloedzuigers
mede in de geneeskunde gebruikt worden, znit gij wel eens
2