Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
7
V.
DE VLEDERMUIS.
»Jongens! Jongens! eene vledermuis! Flap, daar heb
ik haar! . . . Spoedig een' hamer, een' spijkeren een
slukje spek gehaaki, om haar hier aan den l)oom te
spijkeren." Aldus riep koenraad zynen makkers loe,
toen hij de vledermuis gevangen had en het van angst
piepende#tlier allerlei kwellingen deed ondergaan. In een
oogenblik waren dan ook hamer, spijker en spek bijeen-
gebragt, en de vledermuis met het spek boven haar
hoofd aan den boom genageld. Luid juichend sprongen
de knapen nu voor hel arme dier heen en weder, knip-
ten en staken haar, hieven haren bek naar hel spek op
en vierden hunne marlelzucht op deze wijze in ruime
male bot.
Doch terwijl zij hiermede druk bezig waren, naderde
hen een grootere jongen, die een minnaar van lezen en
leeren was en dus veel wist. en zeide legen hen : »Wal
kwaad heeft u dit arme dier gedaan, dal gij hel zoo
teistert?" — »Kwaad! kwaad!" was hel antwoord,
»het heeft ons geen kwaad gedaan; doch hel is maar
eene vledermuis, en die in onze haren zoude kruipen,
als wij er niet op pasten."
))lk kan wel hooren, dat gij weinig geleerd hehl,"
hernam daarop de andere knaap; »want in het omge-
keerde geval zoudl gij zoodanig niet spreken en hande-
len. Luistert, en ik zal u heel iets anders van de vle-
dermuizen vertellen. God heeft eene menigte inseklen of
kleine diertjes geschapen, welke tot voedsel voor andere
jliercn of tot eenig ander nut moeten dienen. Doch ve-
len van die beestjes zijn ons, menschen, lastig of strek-
ken lot nadeel van planten, vruchtboomen enz., waarop
'/ij loven. Om dan Ie verhinderen, dat hot aaniai
dezer diertjes tc groot wordl, heeft God verscheidene