Boekgegevens
Titel: Meetkundig rekenboek, voor de jeugd
Auteur: Kremer, Hendrikus
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, 1831
3e dr; 1e dr. 1821
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5533
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203095
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundig rekenboek, voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
gelijkvormige Driehoeken, 41
Wanneer men, in plaats van éénen ftok,
twéé ftokken op eenen kleinen afltand van el-
kander plaatst, dan verkrijgt men gemakkelijker
en zekerder den gezigtftraal tot den top des
torens. Het volgende voordel is op die wij-
ze ingerigt.
2. Om de hoogte eens torens AR te meten ,
ftelt men, op 135 voeten van den toren af, ee-
neu (lok CD loodregt in de aarde, welks hoog-
te boven den grond, die waterpas is met den
voet des torens, is 9 voeten. In die zelfde
rigting gaat men 5 voeten verder, in F, en
ileekt eenen kleineren ftok EF zoo ver in den
grond, dat men, over de bovenfte einden de-
zer twee ftokken, den top des torens in A,
ziet, . en bevindt de hoogte des ftoks EF 5
voeten. Bereken nu , door de lengte^ EH , de
hoogte CH en de lengte EI, de hoogte Aï;
en voeg daarbij de hoogte BI, om de hoogte
des torens Aß te vinden. Antw. Die hoogte
is 117 voeten.
3. Op eenen horizontalen of waterpas gele-
gen' grond , heeft men , op eenigen aflland , ee-
nen ftok loodregt in de aarde geftoken , die 8
voeten boven het waterpas van den grond is.
Te gelijker tijd meet men de fchaduw van den
toren en ftok , en bevindt die te zijn 75 en
voeten. Hoe hoog is dus deze toren boven de
oppervlakte des gronds ? Antw. 80 voeten.
C 5