Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 84 — ^
van eenige andere grootheid, welke niet gegeven is, afhangen.
Indien ik zeide, dat de massa water vau het Haarlemmermeer
tot die van het IJ staat, als de oppervlakten dier beide, wateren,
zoude ik eene valsche evenredigheid stellen; omdat die beide
inhouden ook nog noodwendig vau de diepte der beide wate-
ren afhangen.
■WVWWWWN
V r a gf e II.
1. Hoe vindt men eenen onbekenden term eener even-
redigheid, wanneer de drie andere gegeven zijn?
2. Hoe vindt men tot twee getallen een derde evenredige?
3. Wat is eene gedurige evenredigheid? wat eene midden
evenredige ?
4. Wat is de wortel van een getal?
5. Kan men de gelijkheid der redens ook onderzoeken,
als een der termen onbekend is?
6. Hoe kan men dan tot de evenredigheid besluiten?
7. Wat zijn evenredig afhankelijke grootheden?
8. Welke zijn de in § 17 aangehaalde voorbeelden, waar-
uit bleek, dat men somtijds gevaar loopt vau te voorbarig
tot eene evenredigheid te besluiten?
9. Zoudt gij wel kunnen aantoonen, dat de zwarigheden
1 en 2 van § 17, in den grond dezelfde zijn?
10. Welke zullen dan, in algemeene bewoordingen, wel de
twee dingen zijn, waarop men vooral zal moeten letten, al-
vorens te besluiten, dat twee grootheden evenredig afhan-
kelijk zijn?
wwvwww^
HOOFDSTUK Y.
Over het oplossen der evenredigheden.
§ 18. -Na hetgeen in § 14 gezegd is, zal het ojilosseuj
der evenredigheden geene moeijelijkheid opleveren. Indieni
bijv. gevraagd werd: Iemand heeft met 918 gidden verdiend
10 gulden en 20 cent, hoeveel had hij met 2007 gulden kun-
nen verdienen? dan zouden wij vooreerst veilig tot evenre-
digheid kunnen besluiten; want zooveelmaal meer kapitaal,
zooveelmaal meer winst: wij zouden dus mogen stellen:
kapitaal : kapitaal z:;, winst : winst
918 : 2007 = 10,20: