Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 73 — ^
nu, door 60 vermenigvuldigende, tot tertiën herleiden; doch
het is veel gebruikelijker, de onderdeden van secunden in
eene decimale breuk uittedrukken. Zoodat wij dan vinden
13° 36' 49",86. De leerling zal wel reden kunnen geven,
waarom wij in de bewerking de achterste nullen der breuken
hebben doorgehaald.
"§ 124. Men heeft ook voorgesteld, om den meridiaan,
die even als alle cirkels op de globe, in 360 graden ver-
deeld is, liever in 400 graden te verdeden. Dan zoude
er tusschen de graden van den meridiaan en het metrieke
stelsel eene treffende overeenkomst hebben bestaan; want,
daar de meridiaan 40000000 ellen houdt, zoude dus iedere
graad 100000 ellen of 10 myriamètres zijn geweest. De-
ze verhouding geeft ondertusschen. een gemakkelijk middel
aan de hand, om de lengte van eene mijl of een uur gaans
te bepalen, omdat in ieder land is vastgesteld, hoeveel mij-
len • of uren gaans er op éénen graad gaan. Zoo rekent
men 20 Hollandsche uren gaans op éénen graad, dus 7200
op eenen meridiaan; wij hebben dus slechts 7200 op 40000000
te deelen, om te weten, hoeveel ellen een uur gaans is,
en wij vinden 5555,5 enz.
§ 125. Even gemakkelijk is het, te berekenen, hoe laat
het op eene andere plaats is, op een gegeven uur bij ons,
als wij slechts weten, hoeveel graden die plaats oostelijk of
westelijk van ons ligt. Uit hetgeen reeds in § 121 gezegd
is, weten wij, dat de plaatsen oostwaarts van ons gelegen,
eerder — en die westwaarts gelegen zijn, later middag hebben.
Daar nu de zon (haren schijnbaren loop om de aarde voor
een oogenblik aannemende) 360 graden in den tijd van 24
uren afloopt, geeft dit voor iederen graad 4 minuten. Er is
dus een verschil van 4 minuten tijds voor iederen graad,
en wel zoodanig, dat het op eene plaats zooveelmaal 4 mi-
nuten vroeger is dan bij ons, als die plaats graden westelijk
van ons ligt, en later, indien zij oostelijk ligt.
/v>aa/vwn/vn a/n
Vragen.
1. Bevat het metrieke stelsel al de maten, welke men
noodig heeft?