Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 68 — ^
1 gulden lieeft 100 centen.
Het zal voor den leerling nuttig zijn, nevens
al deze Nederlandsche namen, die van het wijsgeerige stelsel
te schrijven.
V rage ii.
U
1. Waarom was er eene veranderuig in maten en ge-
wigten noodig?
2. Welke ziju de vereischten van een goed stelsel van
maten en gewigten?
3. Geef eene korte geschiedenis van het nieuwe stelsel.
Hebben zich daarbij ook Nederlanders beroemd gemaakt?
4. Wat is de grondslag van bet nieuwe stelsel? Waar-
om kan die nooit verloren gaan?
5. Is het zoo gemakkelijk om dien grondslag altijd spoe-
dig weder te vinden, of bezigt men daartoe andere middelen?
6. Waarom heeft men de lengte van den secunde-slinger-
zeiven niet tot grondslag genomen?
7. Hoe heet de vlaktemaat, en welke is derzelver ver-
band met de lengtemaat?
8. Dezelfde vraag, met betrekking tot de inhoudsmaat
en het gewigt.
9. Noem al de veelvouden en onderdeden.
10. Bewijs, dat de vlaktemaat met 100 moet op- en
afgaan, de inhoudsmaat met 1000, omdat de lengtemaat
met 10 op- en afgaat.
11. Waarom kan men de inrigting van onze tegenwoordige
maten en gewigten een stelsel noemen, en die der vroegere niet ?
12. Welken naam dragen, in het Nederlandsche stelsel,
de metre, de are, de stere, de litre en de gramme?
13. Eu welken naam dragen, in het wijsgeerige stelsel,
de duim, de roede, de palm, de mijl, de streep?
14. Welken, de bunder, de vierkante el, de vierkante roede?
15. Welken, de cuhieke el, de cubieke jialm?
16. Welken, de kan,\\ti vat, Ae vingerhoed,\\ti maatje?
17. Welken, liet mnd, de kop, het schepel, en waaraan
i.» het laM gelijk?