Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
67 —
Vlaktemaat. Eene el lang en eene el breed heet vierkante el.
100 vierkante ellen is eene vierkante roede.
100 vierkante roeden is een bunder.
100 bunders is eene vierkante mijl.
1 vierkante el is 100 vierkante palmen.
1 vierkante palm is 100 vierkante duimen.
1 vierkante duim is 100 vierkante strepen.
Inhoudsmaat. Deze is bij ons drieërlei:
1° Voor alle ligehamelijke inhouden: eene el lang, eene
el hoog en eene el breed, heet mibieke el of wi^se.
1 cubieke el heeft 1000 cubieke palmen.
1 cubieke palm heeft 1000 cubieke duimen.
1 cubieke duim heeft 1000 cubieke strepen.
2° Voor natte waren. De eenheid daarvoor is de kan,
hebbende den inhoud van eene cubieke palm, doch
eene cylindervormige gedaante, zoodanig dat de hoogte
juist gelijk zij aan de dubbele middellijn van het
grondvlak.
100 kannen is een vat.
1 kan is 10 maatjes.
1 maatje is 10 vingerhoeden.
3° Voor drooge waren. De eenheid daarvoor is de^ojfj,
hebbende denzelfden inhoud als de kan of cubieke
palm, doch eene cylindervormige gedaante, zoodanig
dat de hoogte gelijk zij aan de middellijn van het
grondvlak.
10 koppen is een schepel.
10 schepels is een mud.
30 mudden is een last.
1 kop is 10 maatjes.
Gewigt. Hiertoe heeft men genomen een bakje van eene
cubieke palni inhoud, gevuld met zuiver gedisteleerd
water, tot deszelfs grootsten graad van digtheid ge-
bragt. Van dit gewigt het gewigt van het bakje
afgetrokken, krijgt men het pond.
1 pond heeft 10 onsen.
1 ons heeft 10 looden.
1 lood heeft 10 wigtjes.
1 wigtje heeft 10 korrels.
Voor de munten wordt het juiste gewigt bepaald
van den standpenning, die de gulden is.
5*