Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— es-
pen gaf. Men zocht dit gebrek wel te verhelpen door tafels,
waarin men de onderlinge verhoudingen uitdrukte; doch behalve
het werkelijke en omslagtige daarvan in de prijsberekeningen,
was men nog niet tegen alle vergissing behoed. Sprak bijv. een
schrijver van eene kan, hoe kon men dan nog weten, of hij
eene Amsterdamsche, Bossche of andere bedoelde, die alle in
grootte verschilden.
Doch het onzekerste is men in de wetenschappen omtrent de
waarde der maten, gewigten en munten bij de oude volken, en
zelfs bij onze voorvaderen, als zijnde de waarde der munten
onder de grafelijke regering, zelfs niet bij raming, door de ge-
leerden te bepalen. En zoo ook zouden onze naneven omtrent
onze maten, gewigten en munten, weder in dezelfde onzeker-
heid kunnen verkeeren
Om in alle deze zwarigheden, zoo voor het toekomende als
voor het tegenwoordige, te voorzien, was men er sedert
lang op bedacht, om een stelsel van maten en gewigten
uittedenken, dat de volgende vereischten hadde:
1°. De maat, welke tot grondslag verstrekt, moet eene
overanderlijke grootte hebben, naauwkeurig bepaald en, des
gevorderd, altijd weder te vinden zijn.
2°. Met dien onveranderlijken grojidslag moeteti alle ma-
ten en gewigten, ook de munten, tot het stelsel behoorende,
in onmiddelijke betrekking staan.
3°. De veelvouden en onderdeden moeten op de gemak-
kelijkste wijze zijn ingerigt, in overeenstemming met onze
wijze van tellen, dus tientallig.
4°. Eindelijk moet het stelsel voor elk volk even aanneme-
lijk zijn, en er dus niets nationaals in gevonden worden.
§ 114. Onze groote landgenoot Christiaan Huijgens stel-
de reeds in 1664 de lengte van den door hem uitgevonden
secunde-slinger als algemeene lengtemaat voor. Dit denk-
beeld is men blijven aankleven, totdat latere ontdekkingen
aantoonden, dat de lengte van den secunde-slinger, op de
verschillende breedten der aarde, niet dezelfde is. Men
zonde dus eene bepaalde plaats tot het vaststellen der lengte
van den sUnger hebben moeten kiezen, en deze keus niet
onafhankelijk van nationalen naijver kunnende geschieden,
heeft men er geheel van afgezien.
§ 115. Aan de Franschen komt de eer toe, dat zij met
veel moeite en inspanning een wijsgeerig stelsel van maten