Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— —
moet vermenigvuldigd worden, zoude dit niet blijkbaar zijn,
indien ik schreef 7 -f- 8x5; want dit zoude willen zeggen
7 -f 15 of 22. Om nu aan te duiden, dat 7 en 3 beide met
5 moeten vermenigvuldigd worden, sluit men die twee getal-
len binnen haakjes en schrijft men (7 -(- 3) 5. In het alge-
meen : indien men wil aanduiden, dat iedere term eener uit-
drukking door een getal moet vermenigvuldigd worden, of wel
gedeeld, sluit men die alle binnen haakjes.
§ 57. Eindelijk gebruikt men in de algebra of algemeene
rekenkunde, in plaats van bepaalde getallen, de letters van
het alphabet, om aan te duiden, dat men niet bijzonder
een of ander getal bedoelt, maar dat de uitkomst, die men
uit eenige redenering afleidt, voor alle mogelijke getallen
doorgaat. Het gebruik heeft daartoe de eerste letters voor
bekende, de laatste voor onbekende getallen aangenomen.
Zoo beteekent:
a X, een beleend getal met een onbekend opgeteld.
X — een onbekend getal met een bekend verminderd.
ax, een onbekend getal met een bekend vermenigvuldigd.
—, een onbekend getal door een bekend gedeeld.
a
Wil men dus schrijven: de som van een bekend en een
onbekend getal, met een ander bekend getal vermenigvuldigd,
geeft een derde getal, dan zal men dit aldus uitdrukken:
(a -f- x) b = c. Korter zoude men zeggen: de som vaii
zeker getal x met a, vermenigvuldigd inet b, is gelijk aan c.

V p a g: e n.
1. Welke teekens had men nog noodig, behalve de cijfers?
2. Bepaal de waarde der volgende uitdrukkingen:
(7 + 5 4- 19 — 2) 5 + 7 — 8 X 3 4- (5 4- 3) 6.
(6 -f 2 -f 5) 3 — (6—3) 4.
3. Schrijf eens op die wijze:
a. De som der getallen 5 en 17, verminderd met het
getal 9, is gelijk aan de som der getallen 3 en 10.
b. De som der getallen 5 en 11, vermenigvuldigd met
3, is gelijk aan het verschil van die zelfde getallen, ver-
menigvuldigd met 8.