Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 21 —
V p a g- e n.
I. Wat is deelen?
Hoeveel getallen komen daarin voor, en hoe heeten die?
3. Welke overeenstemming hebben die drie getallen met
de drie getallen der vermenigvuldiging?
4. Zijn dezelfde getallen onbekend bij de vermenigvuldi-
ging en de deeling?
5. Hoe weet gij, of de deeler overeenstemt met het ver-
menigvuldigtal, of wel met den vermenigvuldiger?
G. Zoudt gij wel twee redenen kunnen zeggen, waarom
de deeling het tegenovergestelde van de vermenigviildigifig is?
7. Tot welke twee verschillende deelingen geeft het aan-
leiding, dat het quotiënt zoo wel vermenigvuldigtal als ver-
menigvuldiger kan zijn?
8. Welke vragen lost de verJumdingsdivisie op?
9. Welke, de verdeelingsdivisie?
10. Wat is het verschil tusschen de verhoudingsdivisie
en de verdeelingsdivisie?
II. Welke van de twee deelingen zoude men eene verkorte
wijze van aftrekken van hetzelfde getal kunnen noemen?
12. Als ik de geheele som ken, en de grootte van
ieder deel, door welke der twee deelingen zal ik dan de
hoeveelheid der deelen vinden?
13. Als het geheel en de lioegrootheid van ieder deel
gegeven is, door welke der twee deelingen vindt men dan
• het aantal der deelen?
14. En als het geheel benevens het aantal der deelen is
gegeven, hoe vindt men dan de hoegrootheid van ieder deel?
15. Door welke divisie vindt men nu de grootte van
ieder deel, als het aantal der deelen benevens het geheel
gegeven is? En door welke vindt men het aantal, en door
welke het geheel, als het overige gegeven is?
16. Welke zijn de eigenschappen der deeling?
17. Welke is de regel der deeling?
18. Hoe bewijst gij dien?
19. Indien ik stuivers tot guldens maak, b. v. 8300
stuivers, dan deel ik 20 stuivers op 8300 stuivers, en be-
kom tot antwoord 415 guldens, dus eene verhoudingsdivi-
sie met een benoemd quotiënt: is,dit voorbeeld niet in strijd
met hetgeen wij geleerd hebben?