Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 18 — ^
ren. Zij gevraagd hoeveelmaal 375 op 3128250 begrepen is.
Alvorens echter hiertoe overtegaan, zullen wij het een en an-
der in 'het midden brengen, hetwelk strekken kan om de
verdeeling van groote getallen gemakkelijker te doen begrijpen.
Indien 7 guldens, 7 dubbel^es en 7 centen, in 7 gelijke
deelen moesten verdeeld worden, zoude het geheel onverschillig
zijn, of wij het eerst de guldens, de dubbel^es of de centen
doordeelden. Zeer zelden echter zijn de gegevene getallen
zoodanig, dat dit juist hetzelfde zij. Hadden wij b. v. 8
guldens, 3 dubbel^'es en 3 centen in 7 gelijke deelen te ver-
deelen, zoo zoude het niet mogelijk zijn met de centen te
beginnen; maar met 8 guldens gaat dat zeer wel; men heeft
voor iedei' de«l 1 gulden, en er schiet één gulden over, die
wel niet doorgedeeld kan worden, maar waarvoor wij 10 dub-
beltjes kunnen nemen. Met de 3 gegevene hebben wij er
dus 13, en dit geeft voor ieder deel weder een dubbellje,
terwijl er 6 overblijven, die wij niet kunnen doordeden.
Nemen wij nu weder, voor deze 6 dubbeltjes, 60 centen en
voegen wij daarbij de 3 gegevene, dan hebben 63 centen
hetgeen voor ieder deel juist 9 centen geeft. De doordeeling
is nu zeer goed gegaan, en wij hebben voor ieder deel 1
gulden, 1 dubbeltje en 9 centen.
Indien wij nu 8 honderdtallen, 3 tientallen en 3 eenheden
in 7 gelijke deelen te verdeelen hadden, zouden wij, vol-
komen dezeKde redenering houdende, voor ieder deel vinden:
1 honderdtal, 1 tiental en 9 eenheden. Wij leeren hieruit:
1°. Dat het zeer zelden gebeurt, dat men de deeling even
zoo goed van achteren als van voren kan beginnen, doch dat
men dezelve van voren altijd Ican eu meestal moet beginnen.
2°. Dat men dus altijd met het cijfer van de hoogste waar-
de begint door te deelen, en indien er iets «overschiet, dat
niet doorgedeeld kan worden, men daarbij het volgende cijfer
voegt, en dan op nieuw doordeelt
Laat ons nu zien, hoe wij het voorgestelde getal 3128250
in 375 gelijke deelen kunnen verdeelen. Hier kunnen wij noch
de 3 millioentallen, noch de 31 honderdduizendtallen, noch de
312 tienduizendtallen in 375 gelijke deelen verdeelee, maar
wel de 3128 duizendtallen, waarvoor wij, na eenige beproe-
ving, vinden 8 duizendtallen, en, omdat 8 maal 375 gelijk
3000 is, hebben wij 3000 duizendtallen verdeeld. Er schie-
ten nn 128 duizendtallen over, en liierbij de gegevene 2 hon-