Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 9 — ^
tallen heeft gevonden, waarom telt men dan de tientallen
dier som bij de millioentallen op?
9. Begin de optelling eens van voren.
10. Zoudt gij denken, dat het goed gezegd is: sommen
malcen, voor voorheelden uibwerhen? Wat wil dan eigenlijk
wel sommen maken zeggen?
HOOFDSTUK IV.
AftreJcJcing.
§ 24. Het komt ook dikwijls voor, dat men moet weten,
hoeveel eenheden de eene grootheid, of het eene getal, groo-
ter is dan het andere: dit vinden wij door de aftreJching.
§ 25. De aftrekking dus is die kunstbewerking, waar-'
door men vindt hoeveel eenheden eene hoeveelheid meer
bevat dan eene andere gelijknamige. Die eenheden, welke
de eene grooter is dan de andere, heeten het verschil, de
rest of het overblijfsel: de aftrekking dus leert het verschil
tusschen twee getallen vinden.
§ 26. Voegt men het verschil wedet bij den aftrekker,
of de kleinste hoeveelheid, dan krijgt men natuurlijk de
grootste hoeveelheid, of het aftrekkirigsgetal terug. De af-
trekking is dus juist het tegenovergestelde van de optelling;
want in de rekenkunde zegt men de eene regel het tegen-
overgestelde van den anderen te zijn, als de eene juist ver-
nietigt, wat de andere heeft voortgebragt.
§ 27. Dewijl de aftrekker, opgeteld bij het verschil,
het aftrekkingsgetal geeft, zoo zullen wij, als wij het ver-
schil afnemen van het aftrekkingsgetal, den aftrekker moeten
krijgen: er zijn dus twee proeven op de aftrekking, die ons
beide kunnen doen zien, of wij goed gewerkt hebben.
§ 28. Willen wij nvt werkelijk onderzoeken, hoereel
eenheden het eene getal meer bevat dan het andere, zoo
verminderen wij ieder cijfer van het aftrekkingsgetal met
ieder overeenkomstig cijfer van den aftrekker; en indien het
cijfer in het aftrekkingsgetal, b. v. dat der eenheden, klei-
ner is dan het cijfer in den aftrekker, dan verminderen
wij het volgende cijfer, dat der tientallen, met 1, en ver-