Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 8 — ^
heid te vereenigen, en dan noemt men deze hoeveelheid,
welke alleen zoo groot is als al de andere te zamen, de
som. Zijn nu de hoeveelheden in getallen uitgedrukt, din
kan men ook derzelver som in getallen uitdrukken: de kuast-
bewerking, waardoor dit geschiedt, heet optelling. De op-
telling is dus die kunstbewerking om één getal te vinden,
dat alleen zoo groot is als eenige getallen te zamen; zij
leert de som vinden van eenige gegevene getallen; tervijl
ieder dier getallen als een deel der som kan beschouwd
worden.
§ 23- Het is klaar, dat de getallen, wier som men aoekt,
gelijknamig moeten zijn; hieruit volgt dan ook, dst men
alleen eenheden bij eenheden, tientallen bij tientaller, hon-
derdtallen bij honderdtallen enz. kan optellen. Hierop be-
rust de volgende regel:
a. Schrijf de getallen juist onder elkander, eenheden
onder eenheden, tientallen onder tientallen enz. en trek onder
dezelve eene streep.
h. Tel eerst de kolom der eenheden op. Schrijf de
eenheden der gevondene som onder de kolom der eenheden,
en tel de tientallen, welke in die som mogten zijn, bij de
kolom der tientallen op. Schrijf de eenheden der som van
de tientallen onder de kolom der tientallen, en tel de tien-
tallen dezer som bij de honderdtallen op, omdat tientallen
van tientallen honderdtallen zijn; en zoo vervolgens.

V p a g- e n.
1. Wat is de optelling?
2. Wat is de som?
3. Zouden de optetellene grootheden gelijknamig of on-
gelijknamig moeten zijn ? Of zouden zij beide kunnen zijn ?
4. Zoude men gelijkslachtige, hoewel ongelijknamige
grootheden kunnen optellen? Hoe zoude men dit doen,
b. v. centen en dubbeltjes?
5. Wat leert de optelling vinden?
6. Welke is de regel van.de optelling?
7. Vervolg den regel verder nog dan die is opgegeven.
8. Als men de som van de kolom der honderdduizend