Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
dus zijn 5, 7, 84, onbenoemde getallen. De benoemde
getallen, (die men in de rekenkunde ook wel grootheden
noemt) kunnen zijn gelijkslachtig of ongelijkslachtig. De ge-
lijkslachtige zijn nog daarenboven gelijknamig of ongelijknamig;
doch ongelijknamig zijnde, kunnen- zij altijd tot gelijknamige
herleid worden, dat is, men kan andere getallen vinden,
die gelijknamig zijn, en dezelfde waarde als de ongelijknamige
uitdrukken. B. v. 7 dubbeltjes en 2 guldens zijn ongelijk-
namig; maar voor 7 dubbeltjes kan ik 70 centen stellen,
en voor 2 guldens, 200 centen, en nu heb ik twee gelijk-
namige getallen, 70 en 200, die dezelfde waarde hebben
als de ongelijkmatige 7 en 2.
Ongelijkslachtige getallen zijn dezulken, welke niet tot
gelijknamige kunnen herleid worden, en zijn altijd ongelijk-
namig ; zoo als 2 guldens, 3 ellen. Men zou wel aan gul-
dens en ellen den algemeenen naam van dingen kunnen
geven en ze aldus gelijknamig maken; dan, dat is, zoo als
wij zagen, geene herleiding.
T F a g- e II.
1. "Wat is eene eenheid? Wat, eene hoeveelheid? Wat,
een getal?
2. Waarom zijn de getallen de namen der hoeveelheden ?
3. Waarom is twee de kleinste hoeveelheid en een geen getal?
4. Hoeveel getallen zijn er? Welk is het grootste?
5. Wat is tellen? Waardoor is het tellen mogelijk?
6. Hoe is men er op gekomen, om het getal tien te
nemen en daarmede alle andere getallen te vergelijken?
7. Is de taal regelmatig in de gegevene namen? Waar
is zij onregelmatig?
8. Hoeveel verschillende namen zijn er volstrekt noodig?
En hoeveel verschillende soorten maken die uit?
9. Bestaan beide soorten uit een bepaald aantal namen ?
10. Wat is een stelsel? Wat, eene schaal? Van waar komt
de naam van termen van de schaal van het tienidXiig stelsel?
11. Zoude men kunnen zeggen: zesheid, twaalfheid, enz.?
12. Zoude het dan goed zijn te zeggen: tienheid, hon-
derdheid, enz. of tiental, honderdtal, enz