Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
frrr- 7 : JJU'i , in.-y
HOOFDSTUK H.
Over de Cijfers.
§ 17. De Grieken en Eomeinen hadden eene zeer lastige
manier om de getallen te schrijven. Aan de Arabieren zijn
wij onze tegenwoordige, eenvoudige en sierlijke wijze verschul-
digd, die geheel en al met de wijze van tellen overeenstemt.
Voor de woorden eeu, twee, drie, enz. tot negen, onver-
schillig of dezelve (§ 16) eenheden, dan wel tien-, honderd-,
duizendtallen of andere termen der schaal uitdrukken, heeft
men negen verschillende teekens, geiahnerJcen, cijfers, geno-
men, welke zijn: 1, 3, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9; terwijl
derzelver betrekkelijke plaatsing aanduidt, weikeu term der
schaal zij uitdrukken, namelijk: het eerste cijfer regts (of
ook een cijfer alleen) drukt den eersten term of de eenheden
uit; het tweede cijfer, links daar naast, drukt den tweeden term
of de tientallen uit; het derde cijfer, den derden term of
de honderdtallen, enz. zoodat 3456 zal beteekenen: G een-
heden , 5 tientallen, 4 honderdtallen en 3 duizendtallen. Even-
wel wil het gebruik, dat men met de hoogste termen beginne,
en ook nog, dat men, tegen de regelmatigheid aan, de een-
heden onmiddelijk vóór de tientallen noeme, en dus zegge:
dp.e duizend vier honderd zes en vijftig.
§ 18. Ontbreken een of meer termen in een getal, zoo
als, b. v. in het getal d^ie duizend en vier, waarin geene
honderdtallen en geene tientallen voorkomen, dan wordt dat
geene door het teeken O, mil genoemd, uitgedrukt, en het
getal aldus geschreven: 3004; door welk eenvoudig middel,
de cijfers 3 en 4, tevens hunne betrekkelijke plaats behou-
den om, het eene, duizendtallen, en het andere, eenheden uit
te drukken. De nul drukt dus letterlijk niets uit, en dient
alleen om, de ledige plaatsen aanvullende, den cijfers hunnen
vereischten rang te doen behouden. Zoo zal dan ook 30, drie
tientallen, of dertig; 300, drie honderdtallen enz. voorstellen.
Men heeft dus slechts ééne soort van teekens en wei voor
de verschillende eenheden noodig. Voor de termen van de
schaal van het tientallig stelsel heeft men geene nieuwe
teekens noodig, men kent die aan dé plaats. En dewijl er
oneindig veel plaatsen aan de linkerhand der eenheden zijn,
kan men dus alle termen van de schaal van het tientallig
stelsel schrijven, die in eenig getal voorkomen.