Boekgegevens
Titel: Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Auteur: Woelderen, C.L. van
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1856
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203049
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretische gronden der rekenkunde, voor eerstbeginnenden: dienende ter inleiding tot de studie der wiskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 3 —
§ 11. Wij zien uit het voorgaande, dat, door alle hoeveel-
heden met het getal tien te vergelijken, het tellen niet alleen
mogelijk, maar zelfs zeer gemakkelijk is, en zich bepaalt tot
het onthouden van een gering aantal nainen.
§ 12. "Wanneer eene zaak, zoodanig is voorgesteld, dat
daardoor het verband en de afhankelijkheid der deelen onder-
ling kennelijk wordt, kan men dat een stelsel noemen. Zoo
noemen wij dan ook de voorstelling van onze wijze van tel-
len, getallen- of talstelsel, en wel tientallig stelsel, dewijl in
hetzelve het getal tien és hoofdverdeeling voorkomt, en daar-
van de verdere zamenstelling afhangt.
§ 13. Eene figuur, eene lijn, zoodanig verdeeld, dat men
daarmede eene andere kan vergelijken of meten, heet eene
schaal, en de voornaamste punten op dezelve noemt men
de termen der schaal. Daar nu in ons talstelsel een, tien,
honderd, duizend, tienduizend enz. dienen om daarmede alle
hoeveelheden te vergelijken of te meten, noemen wij dezen
de termen der schaal van het tientalligstelsel. Zij zijn: een,
tien, honderd, duizend, tienduizend, honderdduizend, millioen,
tienmilUoen enz. kunnende men deze scl^al aldus (§ 10) tot
in het oneindige voortzetten.
§ 14. tienmaal ééne eenheid is éên tiental.
tienmaal één tiental is één honderdtal,
tienmaal één honderdtal is één duizendtal,
tienmaal één duizendtal is één tienduizendtal,
tienmaal één tienduizendtal is één honderduizendtal,
tienmaal één honderdduizendtal is één millioen, enz.
tot in het oneindige.
§ 15. Iedere term van de schaal van het tientallig stel-
sel kan dus slechts tot negen worden opgevoerd, en er zijn
oneindig veel van die termen.
§ 16. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht en
■negen, heet meja als er een der woorden honderd, duizend
of millioen niet op volgt: eenheden. Van twee tot negen is
die naam niet eigenaardig (zie § 2).