Boekgegevens
Titel: Rekenboek voor de scholen in ons vaderland: bijzonderlijk geschikt voor diegene, waarin volgens eene verbeterde leerwijze wordt onderrigt gegeven
Deel: 3e stukje
Auteur: Wijk, Jacobus van
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey en zoon, 1826
3e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9855
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203042
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenboek voor de scholen in ons vaderland: bijzonderlijk geschikt voor diegene, waarin volgens eene verbeterde leerwijze wordt onderrigt gegeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 98 ),
ea de jongeling, verheugd, geeft nn nog eens
eenen duiver weg; maar hoe ftond hij nu bij de
natelling te kijken, daar hij bevond, zelf nog
maar eenen duiver over te hebben; kunt gij nu
wel berekenen, hoe veel hij in het begin had?
ai'. A heeft van ƒ 6000:-:-, tot 3! pCt. in hec
jaar, in eenen zekeren tijd ƒ i(S8:i5:- renten ont-
vangen. B heeft van eene fom, die drie maan-
den langer uitftaat, tot 3^: pCt. in het jaar,
ƒ 28:15:- minder interest bekomen dan A. Men
vraagt naar hec kapitaal van B, en naar den tijd
van A?
22®. Iemand is fchuldig aan zijnen vriend eene ze-
kere fom, te betalen over 4 maanden; nog
ƒ 400:-:- over 5 maanden; nog het dubbel van de
eerde fom over 7 maanden, en 4 maal zoo vegl
als de eerfte fom over 8 maandendoch rekent,
als hij dit kapitaal door elkander betaalt in 65
maand, dat zijn vriend daarmede voldaan is; vrage
naar de drie onbekende kapitalen?
23"=. Zeker koopman accordeert met eenen reken-
meester, dat hij zijnen zoon, voor zekere fomme
gelds, 5000 voordellen zou onderwijzen. De
zoon, die in den beginne zeer vlijtig was, en
dagelijks 20 voordellen leerde, werd, na het eer-
fte vierendeeljaars, iets trager, zoodat hij zoo
menigmaal 4 dagen ledig ging, als hij 16 dagen
vlijtig leerde. Indien hij nog, in de ledige dagen,
op lederen dag 5 voorftellen vergeten had, die
hij daarna telkens moet herhalen , zoo is de vraag,
hoe veel tijd hij tot het bepaalde getal voorftellen
meer noodig had, dan of hij bij zijne eerde vlij-
tigheid gebleven was?
24«. Ie-