Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
7. Als twee evenwijdige lijnen door eene derde gesneden
worden:
a. zijn elke twee verwisselende binnenhoeken gelijk.
b. zijn elke twee verwisselende buitenhoeken gelijk.
c. is de som der binnenhoeken aan denzelfden kant
der snijlijn gelijk aan 2 R.
d. is de som der buitenhoeken aan denzelfden kant
der snijlijn gelijk aan 2 R.
8. Als de beenen van een hoek evenwijdig loopen met-,
of loodrecht staan op de beenen van een anderen hoek,
dan zijn die hoeken óf gelijk óf eikaars supplement.
9. In eiken driehoek is de som der hoeken gelijk aan 2 R.
In eiken driehoek is een buitenhoek gelijk aan de som
der beide niet aanliggende binnenhoeken.
10. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig als ze gelijk
hebben: eene zyde en de beide aanliggende hoeken.
11. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig als ze gelijk
hebben: twee hoeken en eene zijde tegenover een van
die hoeken.
12. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig als ze gelijk
hebben: twee zijden met den ingesloten hoek.
13. In eiken gelijkbeenigen driehoek zijn de hoeken aan de
basis even groot.
14. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig als ze gelijk
hebben : twee zijden en een hoek tegenover eene van die
zijden, mits men bovendien wete dat de hoeken tegen-
over het andere paar gelijke zijden in beide driehoeken
van dezelfde soort zyn.
15. Twee driehoeken zi^jn gelijk en gelijkvormig als ze gelijk
hebben: de drie zyden.
16. Als twee hoeken van een driehoek gelijk zijn, dan is
die driehoek gelijkbeenig.