Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
STELLINGEN.
1. Alle gestrekte hoeken zijn even groot.
Alle rechte hoeken zijn even groot.
2. Bii twee elkaar snijdende lijnen zijn de overstaande
hoeken twee aan twee even groot.
3. Als twee lijnen (in 't zelfde platte vlak) zoodanig door
eene derde lijn gesneden worden, dat twee overeenkom-
stige hoeken gelijk zijn, dan zullen die twee lijnen, hoe
ver ook verlengd, elkaar nimmer snyden, d. i. dan zijn
ze evenwydig.
4. Twee lijnen zijn evenwijdig, als ze zoodanig door eene
derde gesneden worden :
a. dat de verwisselende binnenhoeken gelijk zijn.
of b. dat de verwisselende buitenhoeken gelijk zijn.
of c. dat de som der binnenhoeken aan denzelfden kant
der snijlijn 2 R is.
of d. dat de som der buitenhoeken aan denzelfden kant
der snijlijn 2 R is.
5. Axioma. Door een punt buiten eene lijn kan altijd ee.ne,
maar ook niet meer dan eene lijn getrokken worden.,
evenwgdig aan de eerste lijn.
6. Als twee evenwijdige lynen door eene derde gesneden
worden, dan zijn twee overeenkomstige hoeken gelijk.
') Zonder nadere aanwijzing noemen we ruhte lijnen kortweg: lijnen.