Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
VOORREDE.
Gaat het anderen als mij, dan hebhen ook zij de ondervinding
opgedaan, dat H in H algemeen vrij wat moeite koü den leerlingen
eenige vaardigheid te doen hrijgeyi in 't oplossen van meetkundige vraag-
Hukken. In den regel zijn de vraagstukken over de allereerste hoofd-
stukken der meetkunde n. m. i. vrij ongeschikt. Ze zijn óf te onbe-
duidend (in plaats van eenvoudig) óf ze eischen de combinatie van te
veel eigenschappen , om den middelmatigen leerling zelf den draad der
redeneering te doen vinden. Aan het laatste bezwaar heb ik , evenals
anderen, trachten te gemoet te komen door bij tal van vraagstukken
naar de stellingen te verwijzen, xcier toepassing tot de oplossing leiden
kan. Om echter H bezwaar te vermijden, dat de leerling al te zeer
gewoon raakt aan eenige vingerwijzing, zijn bij vele f vooral bij de
gemengde) vraagstukken die ezelsbruggen f zooals spotvogels die aanwij-
zingen ten onrechte noemen) weggelaten.
Zeer dikwijls is het gebrek aan vaardigheid in H oplossen van meet-
kundige vraagstukken een gevolg van de omstandigheid, dat de leerlin-
gen de stellingen in de theorie voorkomende. niet vast genoeg kennen,
om ze bij voorkomende gelegenheden direct te kunnen toepassen. Door
nu hij tal van vraagstukken te verwijzen naar deze of gene stelling,
dwingt men den leerling die stelling in zijn geheugen terug te roepen.
Nog een ander argument dat voor die handelwijze pleit is de om-
standigheid , dat volgens de nieuwe wet op 't L. O. onder de eischen
voor H erlangen eener acte als hoofdonderwijzer ook voorkomt: de ken-
nis van de beginselen der wiskunde. Vooral nu aan die aspirant-
hoofdonderwijzers , welke geene gelegenheid hebhen les in de wiskunde te
nemen, geloof ik dat dergelijke vingerwijzing zeer welkom zal zijn.
Om het gebruik van deze vraagstukken onafhankelijk te maken van
eenig bepaald leerboek der Meetkunde, heb ik voor zoover noodig de
stellingen (waarnaar door cijfers achter een vraagstuk wordt verwe-