Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
65. Loopt de lijn, die een buitenhoek eens driehoeks midden-
door deelt, evenwijdig aan eene der zijden, dan is die
driehoek gelijkbeenig. Bewijs dat.
66. Bewijs dat de middens van de zijden van een gelijkbeenig
trapezium de hoekpunten zijn van eene ruit.
67. Construeer een gelijkbeenig trapezium , als gegeven zijn:
een hoek en de lijnen, die de middens van elk paar
overstaande zijden vereenigen.
68. Deelt men de hoeken van een trapezium middendoor,
dan zullen de lijnen, die het eene paar overstaande hoe-
ken middendoor deelen, een hoek vormen, die gelijk is
aan den hoek, dien het andere paar deellijnen vormen.
Bewijs dat.
69. Door een gegeven punt buiten een gegeven hoek eene
lijn naar het eene been van dien hoek te trekken, die
door het andere been middendoor wordt gedeeld.
70. Twee rechthoekige driehoeken hebben gelijke schuine
zijden, doch een scherpe hoek van den eenen driehoek
is grooter dan die van den anderen. Bewijs dat de zijde
tegenover den eersten hoek grooter is dan die tegenover
den laats ten.
71. Construeer een gelijkbeenigen driehoek, als zijn top in
een gegeven punt en de basis, waarvan de lengte gege-
ven is, tusschen twee gegeven evenwijdige lynen moet
liggen.
72. Bewijs dat, als van een driehoek de opstaande zijden
ongelijk zijn, de lijn, die 't midden der basis met den
top vereenigt, schuin op de basis staat.
73. De lijnen, die de hoeken van een rechthoek middendoor
deelen, vormen een vierkant. Bewijs dat.
74. Construeer een vierkant, als de som van alle zijden en
alle diagonalen gegeven zijn.
75. Vereenigt men de middens der evenwijdige zijden van
een onregelmatig trapezium, dan staat die lijn schuin
op de basis. Bewijs dat.
76. Bepaal een punt, dat op gelijke afstanden van twee ge-