Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
30. Van een driehoek ABC staan L. A, het complement van
Z. B en het supplement van ^ C tot elkaar als 1,2
en 3. Hoe groot is elke hoek? LA i: %k ' ^O'
31. Uit de uiteinden der basis van een scherplioekigen gelijk-
beenigen driehoek laat men loodlijnen op de overstaande
zijden neer. Bewijs dat de lijn, die den scherpen hoek,
gevormd door die loodlijnen, middendoor deelt, even-
wijdig loopt aan de basis des driehoeks. (9, 4").
32. Construeer een rechthoekigen driehoek, als gegeven zijn:
oen scherpe hoek en de som van de hypotenusa en de
zijde tegenover dien hoek.
33. Teeken een vierhoek, die door eene diagonaal in twee
gelijke en gelijkvormige driehoeken verdeeld wordt, zon-
der dat die vierhoek een parallelogram is.
34. Is een vierhoek, waarvan twee zijden evenwijdig loopen
en 't andere paar even lang zijn, altijd een paralle-
logram ?
35. Neemt men op de hypotenusa BC van een rechthoekigen
driehoek ABC een stuk BD = BA, en trekt men in
D op BC eene loodlijn, snijdende AC in E, dan is
AE = DE. Bewijs dat. (14).
36. Door een gegeven punt eene lijn te trekken, die van de
beenen van een gegeven hoek gelijke stukken afsnijdt.
37. Kunnen twee gelijke hoeken tevens eikaars supplement
zyn
9
38. Als men uit een willekeurig punt binnen een gelijkzijdi-
gen driehoek loodlijnen op de drie zijden laat vallen, is
de som dier loodlijnen gelijk aan de hoogte des drie-
hoeks. Bewijs dat. (No. 49 § 6).
39. Construeer een rechthoekigen driehoek, als gegeven zijn:
de hypotenusa en de som der rechthoekszijden.
40. Construeer een driehoek, waarvan twee zijden 4 en 6
cM zijn, en de hoek tegenover de kleinste dier zijden
30° is.
41. Een vierhoek, waarvan de zijden (mits geen overstaande)
twee aan twee gelijk zijn, noemt men een symmetri-