Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
rechthoekig op elkaar staan, een vierkant is. (12 of 24).
38. Construeer een vierkant, als zijne diagonaal gegeven is.
39. Construeer een vierkant, als de som van eene zijde en
eene diagonaal gegeven is. (13, 9).
40. Construeer een vierhoek (die geen vierkant is), waarvan
de diagonalen even lang zijn en loodrecht op elkaar staan.
41. In eene gegeven lijn een punt te bepalen, dat op een
gegeven afstand van eene andere gegeven lijn verwijderd
is. (Zie No. 25 § 6). Wanneer voldoen er geen, wan-
neer één, wanneer ticeeen wanneer oneindig veel T^Mnien
aan de vraag?
42. In een driehoek eene' ruit te beschrijven, waarvan een
der hoeken samenvalt met een der hoeken van den drie-
hoek. (No. 18 § 6).
43. Tusschen twee gegeven evenwijdige lijnen eene lijn van
gegeven lengte te trekken. Kan dat altijd ?
44. Door een gegeven punt eene lijn te trekken, zoodanig
dat het deel dier lijn, dat begrepen is tusschen twee
gegeven evenwijdige lijnen eene gegeven lengte hebbe.
(30, No. 43 § 6).
45. Construeer een parallelogram, als gegeven zijn: de om-
trek , een der hoeken en eene diagonaal. (30, No. 50 § 5).
46. Construeer eene ruit, als gegeven zijn: de zijde en eene
diagonaal.
47. Bewijs dat eene ruit een vierkant is, als hare diagonalen
even laug zijn. (30, 15).
48. Trekt men in een gelijkbeenigen driehoek, uit twee pun-
ten der basis , lijnen evenwijdig aan de opstaande zijden,
dan is de som dier lijnen (tot aan de opstaande zijden)
uit 't eene punt even groot als de som der lijnen uit
't andere punt. Bewijs dat. (30, 13, 16).
49. De som der loodlijnen, uit eenig punt van de basis eens
gelijkbeenigen driehoeks op de opstaande zijden getrok-
ken, is gelijk aan de loodlijn uit 't uiteinde der basis
op de overstaande zijde getrokken. Bewijs dat. (30,
13, 7, 11).