Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
10. Hoeveel verschillende lijnen kan men hoogstens trekken
tusschen 10, 20, 50, n punten, waarvan geen drie in
eene rechte lijn liggen ? T ^ ^ ' '
a. Parallelogrammen.
11. Noem eens eene eigenschap, die zoowel voor een parai-
lelogram als voor een willekeurigen vierhoek waar is.
12. Noem eens eene eigenschap op, die waar is voor elk
parallelogram, maar niet voor eiken vierhoek.
13. Noem eens eene eigenschap, die waar is voor eiken vier-
hoek, maar niet voor elk parallelogram!
14. Is een vierhoek, waarvan de zijden twee aan twee even
lang zijn, altijd een parallelogram ?
15. Hebt ge ook wat op te merken aangaande de volgende
uitdrukking: „een vierhoek moet een parallelogram zijn,
als twee overstaande zijden gelijk en evenwijdig zijn"?
16. De lijn, die de middens van de opstaande zijden eens
parallelograms vereenigt, loopt evenwijdig aan de basis.
Bewijs dat. (30, 36).
17. Construeer een parallelogram, als gegeven zijn: twee zij-
den met den ingesloten hoek.
18. Als in een parallelogram eene der diagonalen een der
hoeken middendoor deelt, is dat parallelogram eene ruit.
Bewijs dat. (16).
19. Bewijs dat een vierhoek, waarvan de diagonalen elkaar
middendoor deelen, een parallelogram is. (36).
20. Als van een vierhoek de zijden even groot zijn, zyn dan
de hoeken ook even groot?
21. Bewijs dat de lijnen, die twee overstaande hoeken eens
parallelograms halveeren, evenwijdig zijn. (30, 3, 7^).
22. Elk parallelogram, waarvan de diagonalen rechthoe-
kig op elkaar staan, is eene ruit. Bewijs dat. (12
of 24).
23. Construeer eene ruit, als hare diagonalen gegeven zijn.
24. Als in eene ruit eene der diagonalen even lang is als