Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
51. Trek in een driehoek ABC eene lijn evenwijdig aan de
basis AC, die de zyden AB en BC in D in E snijdt,
zoodanig dat AD = DE is. (7*, 16).
52. Construeer een driehoek, als gegeven zijn: de kleinste
opstaande zijde, de grootste hoek aan de basis en de
lijn, die den tophoek middendoor deelt.
53. Men vraagt
in nevens-
staande
figuur tus-
schen AC
en BD lood- —
recht op AB
eene lijn te
trekken, die
door AB
middendoor
gedeeld wordt.
54. Trek in een driehoek tusschen de opstaande zijden, even-
wijdig aan de basis, eene lijn, die gelijk is aan de som
van de onderste stukken der opstaande zijden. (No. 27,
§ 4). Hoe zoudt ge de lijn (evenwydig aan de basis)
trekken, zoodat ze gelijk werd aan de som van de bo-
venste stukken der opstaande zijden.
55. Construeer een driehoek, als gegeven zyn: eene der
opstaande zijden, een hoek aan de basis en 't verschil
der deelen, waarin de tophoek verdeeld wordt door de
loodlijn uit den top op de basis.
56. Construeer een driehoek, als gegeven zijn : een hoek aan
de basis, de loodlijn uit den top op de basis en de lijn,
die den tophoek middendoor deelt.
57. Construeer een rechthoekigen gelijkbeenigen driehoek, als
zijn omtrek gegeven is.
58. Bewijs dat twee driehoeken gelijk en gelijkvormig zijn,
als ze gelgk hebben: de basis, den tophoek en 't ver-
schil der opstaande zijden. (9, 13, 14, 11).