Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
eens gelijkbeenigen driehoeks vereenigt, evenwijdig loopt
aan de basis. (13, 3)
17. Als van een rechthoekigen driehoek eene der rechthoeks-
zijden de helft is van de hypotenusa, dan is de hoek
tegenover die rechthoekszijde 30". Bewijs dat. (12).
18. Bewijs dat twee driehoeken gelijk en gelijkvormig zijn,
als ze gelijk hebben: de basis, eene opstaande zijde en
de lijn, die den top vereenigt met 't midden der basis.
(15, 12).
19. Van een gelijkbeenigen driehoek ABC is de tophoek C
36°. Deelt BD den hoek B middendoor, dan is
AB = BD = CD. Bewijs dat. (13 , 16).
20. Trekt men uit een willekeurig punt P van de lijn, die
den hoek ABC middendoor deelt, evenwijdig aan BC
eene lijn, die BA in D snydt, dan is BD = DP.
Bewijs "dat. (7% 16).
21. Bewijs dat twee driehoeken gelijk en gelijkvormig zijn,
als ze gelijk hebben: een basisboek, den tophoek en de
loodlijn uit den top op de basis. (11, 10).
22. Als in een driehoek de loodlijnen, uit twee hoekpun-
ten op de overstaande zijden neergelaten, even lang
zijn, dan is die driehoek gelijkbeenig. Bewijs dat. (11
of 14).
23. Als de lijn, die den top eens driehoeks met 't midden
der basis vereenigt, kleiner is dan de halve basis, dan is
de tophoek stomp. Toon dat aan. (18, 9).
24. Bewijs dat de som der lijnen, die eenig punt binnen
een driehoek vereenigt met de hoekpunten, kleiner is dan
de heele, maar grooter dan de halve omtrek diens drie-
hoeks. (21, 20).
25. In eiken driehoek is een der hoeken gelijk aan 't sup-
plement van een der andere hoeken, verminderd met ...
26. Zijn twee rechthoekige driehoeken gelijk en gelijkvor-
mig , als ze gelijk hebben: een scherpen hoek en
de lijn, welke dien scherpen hoek middendoor deelt?
(11, 10).
w. H. WISSELINK, Meetk. Vraagstukkat, 1' stukje, 4® druk. 2