Boekgegevens
Titel: Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Deel: 1e stukje
Auteur: Wisselink, W.H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
4e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9667
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203009
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken ter oefening in de meetkunde: (voor eerstbeginnenden)
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
28. Deelt men een van twee nevenhoeken middendoor, dan
zal de lijn, in 'thoekpunt loodrecht op die deellijn getrok-
ken , den anderen hoek middendoor deelen. BeAvijs dat.
29. Bewijs dat men uit een punt in eene lijn niet meer dan
ééne loodlijn op die lijn kan oprichten. (1).
30. Van welke hoeken is het supplement negatiefs j'xt^.LL
31. Wanneer is van A: ' J h
Z. A + zijn suppl. + zijn compl. = 180"?
32. Als 't supplement van l. A even groot is als 't comple-
ment van L B, wat weet ge dan van A en A B? i
33. Als gegeven is : A + suppl. — 2 X comp. = 150°,
hoe groot is dan Z. A? /ff
34. Van drie hoeken is de som 2 R; hoeveel bedraagt de
som der complementen van die hoeken ? ^ / . 1
35. De som van drie stompe hoeken is grooter dan iJt .,
maar kleiner dan S^^f^'^LL
36. Uit een punt B van eene rechte lijn ABC trekt men
eene lijn B D , zoodat z. A B D scherp is en daarna B E
loodrecht op A C , aan denzelfden kant van A C als B D.
Wat is het complement nu van Z. A B D ? wat het sup-
plement? Bewijs dat, als men dat complement en dat
supplement middendoor deelt, de twee deellijnen een
hoek vormen van 45°.
§ 2. Evenwijdige lijnen.
1. Teeken drie lijnen, die 12 hoeken vormen, welke we
zullen noemen : Z,a, Z.b, Z.c, Z. d, enz. Vul dan eens
naar aanleiding uwer figuur in : Z. a en z. b zijn . . .,
Z. a en Z. c zi^jn . . . enz.; Z. b en Z. c zijn . . ., Z. b
en Z. d zyn . . ., enz. enz. enz.
2. Twee evenwijdige lijnen worden door eene derde gesneden.
Als een der daardoor ontstane hoeken a° is, hoe groot
is dan elk der andere hoeken ? (6, 7).
3. Worden twee lijnen A en B zoodanig door eene derde